Jan Carel  Smissaert  
Prefix Mr.  
Born 11 Jun 1744  Rhenen
Gender Male  Died 4 Aug 1808  Amsterdam, NH,  
Lucia Gerarda Roos,   b. 24 Mar 1752, Rotterdam,
Married 23 Apr 1770  Utrecht, Ut,
1. Marinus Adriaan Perpetuus Smissaert,   b. 11 Nov 1773, Utrecht, trouwt 1799 Amsterdam M. Feitema. d. 1 Nov
1819, Banka   (Age 45 years)
2. Jhr. Hendrik Balthasar Smissaert,   b. 28 Jun 1775, Utrecht, Overleden 10 dec 1858 Amsterdam 83 jaar gehuwd
1809 Amsterdam met M.C. Hooft        04 02 1815  zoon jan Carel geboren Duinzicht bij Haarlem. Dochter van deze
J.C. vermoord Tesselschadestraat amsterdam 1890
3. Elisabeth Maria Smissaert,   b. 7 Jan 1777, Utrecht,  Overleden 02 mei 1852 Amsterdam. Gehuwd 1805  den Haag
met P.T. van Hoorn  
4.
Isabelle Maria 29 nov 1782, Utrecht. Overleden 02 aug 1864 Utrecht, 81 jaar ongehuwd
4. Anna Agneta Smissaert,   b. 20 Mar 1785, Utrecht, Trouwt 1813 Amsterdam A.H. Putman Cramer. Overleden 03
nov 1864 Zutphen 79 jaar oud
5. Geertruid Cornelia Smissaert,   b. 29 Oct 1787, Amsterdam, trouwt 1812 Utrecht Jhr. J. Backer. Overleden 14 Sep
1830, Jutphaas   (Age 42 years)
6. Eleonore Sophia 21 okt 1791, Hardewijk. Overleden 02 aug 1862 Zutphen 70 jaar ongehuwd
7
. Catharina Elisabeth 19 juli 1795 Hardewijk. Overleden 05 sept 1864 Utrecht. 69 jaar ongehuwd
8.
Lucia Johanna Adriana 26 juli 1781 Utrecht. Overleden 07 nov 1854 utrecht 73 jaar oud ongehuwd
9. Gijsbert Jacob Elias 07 dec 1779 Utrecht. Overleden 24 jan 1838 Marseille 58 jaar ongehuwd
10 Carel Elias 26 febr 1771 Utrecht. Overleden 30 aug 1808 Amsterdam 37 jaar ongehuwd
11 Caroline Eleonore  28 jan 1794 Hardewijk Overleden 22 apr 1881 Utrecht 87 jaar ongehuwd

Minrebroederstraat 19 Utrecht
Tijdens de volkstelling van 1840 werd het huis bewoond door de gezusters Smissaert: Lucia Johanna Adriana
Smissaert (1781-1854), Isabella Maria Smissaert (-1864) en Catharina Elisabeth Smissaert (-1864).
Geregistreerde
Jacob Abraham Verhamme, wonende te Amsterdam
Maria Feitama, wonende te Haarlem
Marinus Adrianus Perpetus Smissaert, wonende te Banka (Ned Indië),
inspecteur generaal der tinmijnen van beroep
Isabella Maria Smissaert
Hendrik Balthazar Smissaert, wonende te Amsterdam
Gerardus Carolus van Rijck, wonende te Oost-Indië
Jacob Willem Hendrik Smissaert, wonende te Java, ambtenaar van beroep
Hendrik Anne Constantijn Smissaert, wonende te Oost-Indië
Anne Agneta Smissaert
Willem Jacob Elias Smissaert
Charles Lucien Marin Smissaert
Cornelis Eeden, wonende te Haarlem, kashouder van beroep
Joan Carel Smissaert, wonende te Amsterdam
Elisabeth Lucia Smissaert, wonende te Oost-Indië
Louise Smissaert

Extra informatie
Vredegerecht        Haarlem
Vonnisdatum        1825
Huwelijk op 12 november 1884 te Geldrop
=
Vader van de bruidegom
Gerardus Carolus van Rijck

Moeder van de bruidegom
Elisabeth Lucia Smissaert

=
Bruidegom
Willem Jacob Hendrik van Rijck, geboren op 28 oktober
1827 te Batavia (Indonesië)

Bruid
Clara Hoevenaar, geboren op 10 november 1848 te Pangka
(Indonesië) [?]

=
Vader van de bruid
Hubertus Paulus Hoevenaar

Moeder van de bruid
Anna Maria Marciane Catharina Holmberg de Beckfelt
Huwelijk op 3 december 1835 te Zutphen  

Vader van de bruidegom
Marinus Adriaan Perpetuus Smissaert, resident van beroep

Moeder van de bruidegom
Maria Feitama, zonder beroep

=
Bruidegom
Jacob Willem Hendrik Smissaert, 33 jaar oud,
resident (van Bagelen, 1830-1833) van beroep
geboren te Amsterdam en sinds
een en half jaar verlof wonende te Amsterdam

Bruid
Alida Maria Catharina Klein, 25 jaar oud, zonder beroep
geboren en wonende
Zutphen

=
Vader van de bruid
Jan Fredrik Klein, zonder beroep

Moeder van de bruid
Anna Wilhelmina Fennema, zonder beroep
Overlijden op 13 december 1874 te 's-Gravenhage

Jacob Willem Hendrik Smissaert, 72 jaar oud, lid van de gemeenteraad van beroep
Weduwnaar van A M C Klein

Jacob Willem Hendrik Smissaert (1802-1874), resident van Cheribon van mei 1836 tot
maart 1843
Huwelijk op 15 april 1824 te Amsterdam
=
Vader van de bruidegom
Marinus Adriaan Perpetuus Smissaert

Moeder van de bruidegom
Maria Feitsma

=
Bruidegom
Joan Carel Smissaert, geboren te Amsterdam, 22 jaar oud, geëmployeerde bij
het amortisatiesyndicaat van beroep

Bruid
Pauline Dorothée van Eijs, geboren te Amsterdam, 25 jaar oud

=
Vader van de bruid
Paulus Andries van Eijs, lid der Staten van Holland en amortisatiesyndicaat van
beroep

Moeder van de bruid
Cornelia Henrietta Dorothea Adriana Ortt


Opmerking
bruidegom gedoopt 08-07-1801. bruid gedoopt 23-01-1799. bruid draagt
predikaat: Jonkvrouw.
Huwelijk op 20 maart 1834 te Amsterdam
=
Vader van de bruidegom
Marinus Adriaan Perpetuus Smissaert

Moeder van de bruidegom
Maria Feitama

=
Bruidegom
Willem Jacob Elias Smissaert, geboren en wonende  te
Amsterdam, 25 jaar oud, Koopman van beroep

Bruid
Anna Marca Magdalena van Hasselt, geboren te Zutphen, 24
jaar oud, wonende te Amsterdam Particuliere van beroep

=
Vader van de bruid
Jan Hendrik Cornelis van Hasselt

Moeder van de bruid
Maria Catharina Klein
Huwelijk op 14 mei 1834 te Amsterdam
=
Vader van de bruidegom
Claude Crommelin

Moeder van de bruidegom
Jacoba Catharina van der Muelen, Particuliere van beroep

=
Bruidegom
Gulian Cornelis Crommelin, geboren te Amsterdam, 24 jaar
oud, Particulier van beroep

Bruid
Louise Smissaert, geboren te Amsterdam, 24 jaar oud,
Particuliere van beroep

=
Vader van de bruid
Marinus Adriaan Perpetuus Smissaert

Moeder van de bruid
Maria Feitama
Ignatia Cornelia Margaretha van Rijck (van Riemsdijk)
Birthdate:        December 24, 1789
Birthplace:        Jakarta, Indonesia
Death:        September 14, 1816 (26)
Jakarta, Indonesia
Place of Burial:        Tanahabang, Weltevreden, Jawa Barat, Indonesia
Immediate Family:        
Daughter of Willem Vincent Helvetius van Riemsdijk and Catharina
Johanna Marguerite Craan
Wife of Gerhardus Carolus van Rijck
Mother of Suzanna Catharina van Rijck van Rietwijck
Gerhardus Carolus van Rijck
Birthdate:        July 04, 1778
Birthplace:        Pasuruan, E Java, Indonesia
Death:        December 26, 1858 (80)
Jakarta, Indonesia
Immediate Family:        
Son of Adriaan van Rijck and Susanna Ernestein
Husband of Ignatia Cornelia Margaretha van Rijck (van
Riemsdijk) and Elisabeth Lucia Smissaert
Father of Johannes Wilhelmus van Rijck and Elisabeth Maria
Suzanne Debora Ambrosina van Rijck
Brother of Ambrosina Wilhelmina van Rijck
36. Elisabeth Lucia Smissaert, geb. Amsterdam 15-3-1800, overl. Batavia
27-6-1880, tr. Batavia 11-5-1817 Gerardus van Rijck van Rietwijck, geb.
Pasoeroean 11-7-1778, algemeen ontvanger te Batavia, overl. ald.
26-2-1858, zn. van Adriaan van Rijck van Rietwijck en Susana Ernestein en
wedr. Ignatia Cornelia Margaretha van Riemsdijk.
DE TINMIJNEN VAN BANKA EN BILLITON
25 maart 2013 · door In de Archipel · in Economie,
Geschiedenis. ·
De provincie Banka-Billiton bestaat uit de eilanden Banka
(Bangka) en Billiton (Belitung), die ten oosten van
Sumatra liggen. In 1710 werd voor het eerst tin gevonden
op de eilanden, en sindsdien zijn de tinmijnen de
belangrijkste inkomstenbron.

Al in het jaar 1710 werd op het eiland Banka tin
gevonden. De sultan van Palembang, die op dat moment
de heerser van het gebied was, liet de lokale bevolking
beginnen met mijnbouw. Niet veel later was de VOC op de
hoogte, en in 1722 werd een overeenkomst gesloten
tussen de VOC en de sultan. De VOC kreeg nu het
monopolie op het tin van Banka en de sultan mocht het
tin alleen verkopen aan de Nederlanders.

De sultan bracht koelies vanuit China naar Banka. De
Chinezen hadden betere technieken voor de tinwinning
en al snel kwam de hele organisatie van de tinmijnen in
Chinese handen. Op grote delen van Banka veranderde
de voertaal in Hakka-Chinees. Bijna een eeuw later, in
1819, nam de Nederlandse staat alle tinmijnen en de
werknemers over. De Chinezen stonden hier echter niet
meteen achter en het functioneren van de mijnen werd
geplaagd door opstanden.
Muntok was de hoofdstad van Banka, gesticht door de Britten 1811, met als naam Minto,
naar de Gouverneur-Generaaal van Britsch-indië.De nederlanders maakte er Muntok van.
De eerste expeditie naar Palembang, Sumatra was een strafexpeditie van het
Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger in 1819. Vanaf 1639 had het
Nederlands-Indisch gouvernement een handelsverdrag met de sultan aldaar en
beschikte men over een met militaire bezetting versterkte factorij, en een burgerlijk
bestuur te Palembang. Tot 1811 betaalde de sultan een schatting in natura
bestaande uit landbouwproducten en tin, dat op het eiland Banka werd gedolven
Portret van M.A.P. Smissaert, luitenant
in de rang van kapitein van de Gardes
te paard
Maker
creator: Staring, Willem Constantijn
Periode
1794
Overlijden op 22 april 1863 te 's-Gravenhage
Overledene
Hendrik Anne Constantijn Smissaert, 58 jaar oud, zonder
beroep (suikerfabrikant)
Geboren te Amsterdam. Getrouwd met Emma Davidson.
Marinus Adriaan Perpetuus SMISSAERT, geboren Utrecht 11-11-1773, vermoord Poeding, Banka (Indonesië) 01-11-1819, zoon van Jan Carel
SMISSAERT en Lucia Gerarda ROOS.

Hij was officier cavalerie vanaf 1794, laatst ritmeester gardes te paard, luitenant-jagermeester over stad en jurisdictie Amsterdam en Amstelland
vanaf 1807, jachtoffcier van Lodewijk Napoleon in departement Amstelland 1807-08, intendant, later prefect van het Koninklijk Paleis Amsterdam
1808, waarnemend – (1808), vanaf 1809 thesaurier van de Kroon, kolonel schutterij Amsterdam vanaf 1809 enz. enz., ambtenaar eerste klasse in
Ned. Indie (1815), vanaf 1816 bij de raad van Financien, inspecteur-generaal tinmijnen op Banka en Billiton vanaf 1817 en resident van Banka
vanaf 1818.

Marinus is ondertrouwd Amsterdam 22-02-1799 met Maria FEITAMA, dame du paleis van koningin Hortense, geboren 02-01-1774, gedoopt Kerk
Lam en Toren Amsterdam, overleden Haarlem 16-10-1825, dochter van Jacob FEITAMA en Elisabeth de HAAN.
Lucia Maria  SMISSAERT, overleden en begraven Amsterdam 30-09-1799.Nieuwe en Engelse kerk.

Elisabeth Lucia SMISSAERT , geboren 15-03-1800, gedoopt Nieuwe Kerk Amsterdam 04-08-1801, overleden Batavia 27-06-1880.
Zij is getrouwd Batavia 11-05-1817 met Gerardus Carolus van RIJCK, geboren Pasoeroean (Indonesië) 22-12-1778, overleden Batavia
26-12-1858, zoon van Adriaan van RIJCK en Suzanna ERNESTEIN (Erenstein?)

Joan Carel SMISSAERT, geboren 29-06-1801, gedoopt Zuiderkerk Amsterdam 08-07-1801, overleden Amsterdam 24-09-1834.
Hij is getrouwd Amsterdam 15-04-1824 met  jkvr  Pauline Dorothea van EYS, geboren Amsterdam 08-12-1798, overleden Utrecht 14-05-
1877, dochter van Paulus Andries van EYS en Cornelia Henrietta Dorothea Adriana ORTT. Hun kleinzoon is de schilder Frans Smissaert.

Jacob Willem Hendrik SMISSAERT, geboren 21-11-1802, gedoopt Westerkerk Amsterdam 17-12-1802, overleden Den Haag 13-12-1874.
Resident Semarang.
Hij is getrouwd Zutphen 03-12-1835 met Alida Maria Catharina KLEIN, geboren Zutphen 07-10-1810, overleden Den Haag 04-02-1870,
dochter van Jan Fredrik KLEIN en Anna Wilhelmina FENNEMA.

Hendrik Anne Constantijn SMISSAERT, geboren 01-01-1805, gedoopt Amstelkerk Amsterdam 31-01-1805, overleden Den Haag 22-04-
1863.
Hij is getrouwd Pasoeroean (Indonesië) 16-12-1835 met Emma DAVIDSON, geboren Progolingo (Indonesië) 12-01-1818, overleden Den
Haag 20-03-1865. Dochter Louise geboren Semarang overleden den Haag 13 12 1920 getrouwd met Gerrit van der Jagt

Anna Agneta SMISSAERT, geboren 13-03-1806, gedoopt Westerkerk Amsterdam 04-04-1806, overleden Utrecht 10-06-1865.
Zij is getrouwd Amsterdam 17-09-1835 met Coenraad Jacob TEMMINCK, geboren Amsterdam 31-03-1778, directeur van ‘s Rijks Museum
Leiden, overleden Leiden 30-01-1858, zoon van Jacob TEMMINCK en Alida van STAMHORST.

Willem Jacob Elias SMISSAERT, geboren 07-04-1808, gedoopt Westerkerk Amsterdam 28-04-1808, overleden Haarlem 02-01-1880.
Hij is getrouwd Amsterdam 20-03-1834 met Anna Maria Magdalena van HASSELT, geboren Zutphen 02-05-1809, overleden Amsterdam
03-04-1875, dochter van Jan Hendrik Cornelis van HASSELT en Maria Catharina KLEIN.

Louise SMISSAERT, geboren 13-09-1809, gedoopt Westerkerk Amsterdam 24-09-1809.
Zij is getrouwd Amsterdam 14-05-1834 met Gulian Cornelis CROMMELIN, geboren Amsterdam 26-06-1809, gedoopt Westerkerk
Amsterdam 14-07-1809, overleden Wilp (Voorst) 10-02-1891, zoon van Claude CROMMELIN en Jacoba Catharina van der MUELEN.

Charles Lucien Marin SMISSAERT, geboren Zwolle 04-12-1812, overleden Den Haag 16-08-1897.
Hij is getrouwd Rozendaal 24-10-1845 met Anna Sophia Isabella LEWE van ADUARD, geboren Leiden 21-11-1816, overleden Den Haag
27-08-1866, dochter van Berend LEWE van ADUARD en Susanna TAK
Berend LEWE van ADUARD geboren Oosterstraat Groningen, gedoopt Nieuwe Kerk Groningen 11-02-1787, overleden Leiden
13-06-1839, zoon van Otto LEWE van ADUARD en Anna Isabella van SWINDEREN.

Hij was lid Provinciale Staten van Holland.

Berend is getrouwd Leiden 28-08-1812 met Susanna TAK, geboren Middelburg 02-03-1791, overleden Arnhem 16-11-1853, dochter
van Abraham TAK en Clara le POOLE.

Uit dit huwelijk:

Otto Adriaan LEWE, geboren Leiden 18-06-1813, overleden Pisa (Italië) 19-04-1836. Student Rechten en militair.
Clara Suzanna LEWE, geboren Leiden 28-09-1814, overleden Leiden 10-04-1818.
Anna Sophia Isabella LEWE van ADUARD, geboren Leiden 21-11-1816, overleden Den Haag 27-08-1866.
Zij is getrouwd Rozendaal 24-10-1845 met Charles Lucien Marin SMISSAERT, geboren Zwolle 04-12-1812, overleden Den Haag
16-08-1897, zoon van Marinus Adriaan Perpetuus SMISSAERT en Maria FEITAMA.
Susanna Geertruida Wilhelmina LEWE, geboren Leiden 30-03-1818, overleden Utrecht 15-11-1866.
Zij is getrouwd Rozendaal 30-06-1842 met Edward van LIJNDEN, geboren Nijmegen 16-05-1812, overleden Baarn 05-09-1890, zoon
van Derk Reinhard Johan van LIJNDEN en Cornelia Henrietta HUIJDECOPER.
Klara LEWE, geboren Leiden 13-10-1819, overleden Leiden 28-06-1827.
Het Amortisatiesyndicaat was een financiële instelling die in 1822 in het Koninkrijk der Nederlanden bij wet werd opgericht en onder meer belast werd met het
afwikkelen van een deel van de staatsschuld en met het financieren van bepaalde publieke werken. Het syndicaat verschafte koning Willem I een kas die hij
buiten het parlement om kon beheren. Van aflossing van schulden kwam door omstandigheden weinig terecht, maar het syndicaat speelde wel een rol bij de
aanleg van wegen en kanalen en bij het inpolderen van land. De opbrengsten van die werken vielen dermate tegen dat het Amortisatiesyndicaat bij de
opheffing ervan in 1840, in weerwil van haar taakstelling, 113 miljoen gulden aan de staatsschuld toevoegde
Doop te Amsterdam (Kerk Lam en Toren)

Jacoba Verhamme, geboren op 19 september 1782
Elizabeth Verhamme, geboren op 14 november 1783
Johanna Maria, geboren op 11 mei 1785
Margareta, geboren op 5 oktober 1786
Jacob Abraham, geboren op 11 april 1790 overleden Haarlem 24 08 1846
12 october 1781
Araham verhamme trouwt oud 30 jaar wonende Heerengragt met jkvr. Elisabeth
Feitama oud 18 jaren, Geboren 09 03 1763
Beiden doopsgezind vaders  wel consent niet aanwezig.
Zijn vader is Jacobus Verhamme haar vader Jacob Feitama wilemsz.Haar moeder
Elisabeth de Haan
Buitenpaats Oost ter hout

Huidig adres Haarlem Oosterhoutlaan 19

Geschiedenis
De Amsterdamse burgemeester Jan Corneliszoon Geelvinck (1579 - 1651), kocht tussen 1614 en 1630 tuingronden en weilanden aan de westoever van het Spaarne on der jurisdictie
van Heemstede. Omstreeks 1630 is de buitenplaats Oosterhout gebouwd. De tuinaanleg was in geometrische of barokstijl. Na het overlijden van Jan Corneliszoon in 1651 erfde zijn
zoon Cornelis Geelvinck (1621 - 1689) de hofstede, tevens eigenaar van de heerlijkheden Castricum en Croonenburg en via zijn tweede vrouw Margaretha Bicker van de buitenplaats
buitenplaats Akerendam in Beverwijk. Cornelis was o.a. vijfmaal burgemeester van Amsterdam.

Na zijn overlijden in 1689 komt de buitenplaats in bezit van zijn zusters Eva Geelvinck (getrouwd met Hendrick Bicker) en Agatha Geelvinck (getrouwd met Frederick Alewijn). De
hofstede "aan het Sparen achter den Hout" wordt in 1707 te huur aangeboden.

Sara Hinloopen, weduwe van Bicker, en enkele telgen uit de familie Alewijn verkopen voor 11.750 gulden de hofstede aan de Amsterdamse doopsgezinde koopman en zijdefabrikant
David Mattheus de Neufville (1684 - 1731), eigenaar van het aangrenzende, wat noordelijker gelegen buitenplaats Spaar en Hout. Beide buitens werden verenigd.

Na het overlijden van David Mattheus in 1731 verkoopt zijn weduwe Jacoba van Gelder de verkleinde buitenplaats Oosterhout in 1734 voor 6.100 gulden aan de Amsterdammer
Reynaldus van der LInden. Na het overlijden van Reynaldus verkoopt zijn weduwe Maria Commelin de hofstede met bijgebouwen, oprijlaan, tuinmansgereedschap, broeibakken en
glazen plus een schuit voor 11.000 gulden aan François Lestevenon (1702 - 1767), schepen en later ook burgemeester van Amsterdam. Hij laat de buitenplaats verfraaien.

Zijn vijf schoonzonen veilen de buitenplaats, na het overlijden van François Lestevenon in 1767, in het Oudezijdsherenlogement te Amsterdam. Jan Clifford (1710 - 1772), bankier en
schepen (en later ook twee keer burgemeester en bewindhebber van de Oostindische Compagnie) koopt de buitenplaats voor 29.800 gulden. Hij was een zoon van George CLifford en
Maria Bouwens die de zomermaanden op de buitenplaats Hartekamp.vertoefden. Drie maanden na zijn dood is het destijds bekende bankiershuis Clifford failliet gegaan.

Zijn weduwe Anna Wolters veilt de buitenplaats in 1773. Deze wordt gekocht door Jacob Feitama Willemszoon, koopman in katoen en lijnwaad evenals keurmeester van de hop. Hij
paste de landschapsstijl toe in zijn tuin met huidige slingervijver in het Haarlemmerhoutpark. Na het overlijden van Jacob in 1797 bleef het huis nog tot 1803 in de familie.

Op 3 juni 1803 verkoopt schoonzoon Marinus Adrianus Perpetuus Smissaert (ritmeester en inspecteur-generaal van de tinmijnen op Banka en Billiton) de buitenplaats voor 30.250
gulden aan Marcus Broen Marcelluszoon te Amsterdam, samen met 2 morgen weiland buiten de omheining tot aan het Spaarne. De buitenplaats bleef lang in eigendom van de familie
Broen.

Op 28 augustus 1851 komt het huis aan C.M.baronesse van Hangest d'Yvoy als erfgename van vrouwe Catharina Broen, douarière van de heer Hangest baron d'Yvoy.

In 1860 wordt als bewomer W.J.E. Smissaert uit Amsterdam genoemd. Aanvankelijk als huurder kocht hij de buitenplaats in 1875 en overleed hier op 2 januari 1880. De buitenplaats is
dan geen zomerverblijf. De erfgenamen (twee kleinkinderen van Smissaert) verkopen het huis voor 40.000 gulden aan Eliza de Wit, grondeigenaar te Haarlem. Hij heeft hier naar wordt
aangenomen nooit gewoond, maar bracht het herhaaldelijk zonder resultaat op de veiling. Na zijn overlijden op 29 september 1885 verkopen de erfgenamen het huis in 1886 voor
25.000 gulden aan Wilhelm Cnoop Koopmans uit Amsterdam. Een dochter, Louisa Catharina, Wies, trouwde in 1891 met de dichter Herman Gorter.

Na het overlijden van Cnoop Koopmans is het huis met omgeving voor 35.000 gulden in 1897 verkocht aan P. Vermeulen, landbouwer en belegger in Loon op Zand, die al een jaar
later overleed. De erven Vermeulen verkopen in 1899 het verwaarloosde huis en terrein voor 45.200 gulden aan R.A.M. Grippeling, een Amsterdamse zakenman, met de bedoeling
hier een villapark te stichten. In november is door hem de n.v. Haarlemmerhoutpark opgericht. De Haarlemse tuinarchitect Leonard A. Springer maakt een ontwerp. Gedurende 20 jaar
bleef Grippeling zelf op de buitenplaats wonen. De koepel werd verplaatst.

In 1923 wordt het perceel, verkleind tot 93 aren 30 centiaren met herenhuis, koetshuis en koepel verkocht aan de Duitse kunsthandelaar Paul Cassirer voor 75.000 gulden. Hij had een
kunsthandel in Amsterdam en was getrouwd met de vroeger bekende toneelspeelster Tille Durieuz (schuilnaam van de in Wenen geboren Ottile Godefroy) en liet het verwaarloosde
huis moderniseren door de architect Schermers.Na het overlijden van Cassirer in 1926 heeft het huis leeg gestaan en is het incidenteel verhuurd.

In 1935 verscheen de roman "Een Hollandsch drama" van Arthur van Schendel, waarvoor bij de beschrijving van een huis Oosterhout model stond.

In 1939 is het tijdelijk ingericht als hospitaal voor Nederlandse militairen. Het werd na de bezetting in 1940 gevorderd door de Duitsers.Van 1942 tot 1935 werd hier het Christelijk
Lyceum, die uit hun eigen schoolgebouw werd verdreven, gevestigd.

Na 1945 gaf het gebouw onderdak aan de Karel van Mander Lyceum en vervolgens aan de School voor Praktische Vorming. In 2012 is de school voor praktijkonderwijs nog gevestigd
in het pand onder de naam "Oosterhout".

buitenpaatseninnederland.nl
Abraham Verhamme wordt begraven
15 okt 1807 te Amsterdam
Elisabeth Feitama wordt begraven
08 05 1790 te Amsterdam
Ondertrouw op 12 december 1749 te Amsterdam
=
Bruidegom
Pieter de Haan  26 jaar geads. met zijn oom J de Haan

Bruid
Elisabeth Feitama 21 jaar geads. met haar vader Willem Feitama
Doop te Amsterdam (Kerk Lam en Toren)
=
Vader
Jacob Feitama Willemsz

Moeder
Elisabeth de Haan

Kinderen

Margaretha Feitama, geboren op 3 augustus 1757 trouwt 1780 Jan Nepveu
Catharina Feitama, geboren op 8 november 1759 overleden 24 05 1773
Elisabeth Feitama, geboren op 9 maart 1763 trouwt 1781 Abraham Verhamme
Maria Feitama, geboren op 2 januari 1774 trouwt 1799 Smissaert
Doop 02 12 1742
Willem Feitama, de jonge en Elisabeth
Feitama. (samen met 11 anderen)
Ouders Willem Feitama en Margarita
de Haan
Jacob Abraham Verhamme is een kleinzoon van Elisabeth de Haan Jacob Feitama wilemsz
en tante zegger van Maria Feitama. Zijn moeder stierf nog geen maand na zijn geboorte.
Margaretha Feitama en Jan Nepveu
Doop te Amsterdam (Kerk Lam en Toren)

Isaac Nepveu, geboren 26 oktober 1781
Anna Elizabeth Nepveu, geboren op 27 november 1782
Margaretha Nepveu, geboren op 22 december 1783
Catharina Nepveu, geboren op 26 mei 1785 trouwt Temminck
Huwelijk op 24 maart 1830 te Amsterdam
=
Vader van de bruidegom
Jacob Temminck

Moeder van de bruidegom
Alida van Stamhorst

=
Bruidegom
Coenraad Jacob Temminck, geboren te Amsterdam, 52 jaar oud, directeur Rijksmuseum
Leiden van beroep

Bruid
Catharina Nepveu, geboren te Amsterdam, 44 jaar oud, Particuliere van beroep
Overleden 26 oktober 1834 te Lisse

=
Vader van de bruid
Jan Nepveu

Moeder van de bruid
Margaretha Feitama


Opmerking
bruidegom gedoopt 03-04-1773. Weduwnaar van Dionysia Catharina Cau. bruid gedoopt
26-05-1785
2e Regiment Gardes d'Honneur
1828 Jacob Abraham Verhamme, koopmaan, wonende op de Heerengracht bij de Leijdschestraat

Commissaris Societeit van Assurantie
Acte van Executeurschap Elisabeth de Haan 06 05 1797
Vrouwe Margaretha, wed van Nepheu, Jkvr Maria, Abraham Verhamme en
Leonardus Huijsinga
Portret van Jacob Feitama
(1726-1797) en zijn echtgenote
Elisabeth de Haan (1735-1800)
Wybrand Hendriks1790

Op het portret 64 en 55 jaar oud
Persoonlijke gegevens Elisabeth de Haan
Zij is geboren op 6 mei 1735 in Amsterdam.
Zij is overleden op 24 november 1800 in
Amsterdam, zij was toen 65 jaar oud.
Op dit portret is een ouder echtpaar te zien: Jacob
Feitama (64 jaar) en Elisabeth de Haan (55 jaar
oud). Hendriks plaatste het echtpaar in een salon
met een geschilderd behangsel, een gebloemd
tapijt en elegante meubels. Links stond
oorspronkelijk Maria, een van hun dochters. Toen
zij tegen de zin van haar ouders in het huwelijk trad
met een officier, werd ze overschilderd. Hendriks
was niet alleen schilder, maar ook conservator van
Teylers Museum in Haarlem. Hij schilderde vooral
landschappen, stillevens en portretten.
Doopsgezind, gedoopt bij 't Lam en de Toren 5-2-1747.
Koopman te Amsterdam, lid van de firma Willem Feitama
en Zonen; diaken doopsgezinde gemeente; lid
genootschap Doctrina et Amicitia, 1786. Gehuwd met
Amsterdam 1753-04-03
Haan, Elisabeth de
Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis, The
Hague , inv./cat.nr 827
Provenance: probably inherited onto the daughter of
the sitter, Maria and onto the Smissaert family; coll.
F.A.E.L. Smissaert, Laren, sold in 1937 to the
Mauritshuis.
De Hof ter Hare (Haer) kwam al in veertiende-eeuwse documenten voor. Bekende Sallandse geslachten als Van
Oldeneel, Van Coevorden en Van Suchtelen hebben er in de loop der eeuwen gewoond. Het huidige huis begon
rond 1559 vorm te krijgen, toen Hendrik van Oldeneel de eerste steen van het Huis legde. Toen de laatste Van
Oldeneel, Derk, in 1675 ongehuwd maar niet kinderloos stierf, vererfde de Haere op de zoon van zijn zuster; Jan
van Coeverden. De Van Coeverdens hebben de Haere tot 1746 in bezit gehad. In dat jaar kocht de Deventer
wijnkoper Arnoldus van Suchtelen 'het aloude adellijk huis de Haer c.a.' aan voor 7.350 gulden. Hij heeft het huis
aanzienlijk verbouwd, waarschijnlijk ook om zijn 10 kinderen te kunnen huisvesten. Ook kreeg het huis toen een
tuin in de Franse stijl.

In 1840 komen we voor het eerst de naam Voûte tegen in verband met de Haere. De weduwe van Pierre Voûte
kocht het huis met landgoed destijds op een openbare verkoop. Zeven jaar later verkocht zij het weer aan Jhr.
Charles Smissaert. Na wat heen en weer gepraat over wat er onder vaste goederen verstaan moest worden
(vallen spiegels met vergulde lijsten in de grote en kleine zaal hieronder?), bewoonde Smissaert De Haere tot
zijn vrouw overleed in 1866.

In deze tijd kreeg het park een geheel ander aanzien; de strakke Franse geometrische stijl werd vervangen door
de modernere, Engelse landschappelijke stijl. In die tijd werd ook de Haereweg aangelegd, waarna de IJsseldijk
voortaan de 'voorkant' van het landgoed werd. Na de dood van mevrouw Smissaert, werd De Haere verkocht. Bij
de verkoop zaten overigens de banken in de kerk en het mederecht om de predikant in Olst te mogen
aanstellen.

Het landgoed werd gekocht door Voûte, een wat zonderlinge Fransman die in 1870 startte ambitieuze
bouwplannen. Hij wilde zijn stempel op het landgoed drukken door de bouw van een dakruiter en een
torenkamer in neoclassicistische stijl. Daarnaast liet hij in 1870 als tuindecoratie een 'ruïne-folly' bouwen:  een
onafgemaakte ronde toren van het donjontype met schietgaten, met daaraan vast een deel van een
verdedigingsmuur (een nep-ruïne dus). Er wordt gezegd dat Voûte zelfs een onderaardse tunnel van de Haere
naar de folly wilde maken... Nijpend geldgebrek dwong hem echter om zijn fantastische plannen te staken. Na
zijn dood in 1901 werd het landgoed verkocht aan de eigenaar van het naburige Hoenlo, Dhr. Teding van
Berkhout. Via zijn dochter en haar man kwam de Haere in handen van de familie Des Tombes, een geslacht van
industriëlen uit Den Haag. Zij lieten het huis verbouwen door de architect J.J van Nieukerken. Tegelijkertijd werd
de tuin verfraaid en werd een zichtas naar boerderij de Graskamp gecreëerd. Vanaf 1915 werd het kasteel
verhuurd voor 1 gulden per jaar, op voorwaarde dat bos en tuin onderhouden werden. Na 1935 is het geheel in
verval geraakt. In 1962 verkocht de laatste eigenaar, Frederik Des Tombes, De Haere aan de gemeente
Deventer die het vervolgens in beheer bij de Verenigde Gestichten. Havezate de Haere werd verhuurd aan
Stichting 'Vrienden van De Haere', bestaande uit een aantal studenten die het landhuis als weekendhuis
gebruikten. In 1996 wordt het landgoed in zijn geheel door de gemeente verkocht aan IJssellandschap.

landgoedereninoverijssel.nl
Gezin van Karel Jonkheer Smissaert Heer van De Haere
Hij is getrouwd met Charlotte Alberta IJssel de Schepper op 17 augustus 1902 te Lochem, Gld., hij
was toen 27 jaar oud.

Kind(eren):

Cecilia Isabelle Smissaert van de Haere  1905-1975
Johan Karel Jonkheer Smissaert Heer van De Haere  1909-1988
KWESTIES VAN STAND
Over de opname in de adelstand van Amsterdamse
patriciërs in de 19de eeuw *
Kees Bruin



Was ten tijde van de R epubliek een adelstitel voor de heren regenten niet veel
meer dan een pauwenstaart, met de instelling van de m narchie in deze gewesten
kreeg het adeldom meer betekenis. In een koninkrijk behoorde, zoals
Lodewijk Napoleon in navolging van zijn bro r besefte, de leidende stand van
adel te zijn. Hij voerde dan ook een actief adelsbeleid, w arbij personen die zich
voor de Staat verdienstelijk gemaakt hadden, naast hen die vanouds als adellijk
te boek stonden, een adelsdiplom  ontvingen. Deze lijn w rd naderhand onder
Oranje voortgezet

Wie zicht wil krijgen op het Amsterdamse patriciaat in de 19de eeuw moet het
volgende in het oog houden: allereerst dat er ook anderen waren die als
’patriciërs’ beschouwd werden dan alleen de regentenfamilies van voor 1795 en
vervolgens, dat dit regentenpatriciaat bezig was op te gaan in de Nederlandse
aristocratie, in een stand van meer nationale, dus grootser, verstrekkender
allure. Deze patriciërs wilden meer zijn dan dragers van regentennamen - en
blijkens de geschiedenis van de fam ilie Elias werd dit verlangen ook gehonoreerd.
Toen in 1910 het eerste deel van Nederland's Patriciaat verscheen, kwamen de
oude Amsterdamse regeringsfamilies - of althans de voornaamste
daarvan - daar niet in voor; ze stonden al lang en breed jonkheerlijk in het zeven
jaar daarvoor voor het eerst verschenen Nederland’s Adelsboek.

En al was in 1795 de alleenheerschappij der regenten gebroken,
en in 1848 aan de officiële standssuprematie van hen en de andere ’aanzienlijken’
een eind gekomen, dit hield geenszins in dat ze ook van het politieke toneel
verdw enen: in de 25 jaar na de ’revolutie’ van 1848 waren er van de honderd
ministers éenentachtig van adellijke of patricische afkomst,.



De ’aanzienlijken’ uit de proclamatie van 1813 waren dus niet alleen de oude
oligarchen van de Republiek. Deze aanduiding gold voor een bredere groep dan
alleen regentenpatriciaat en oude ridderschapsadel. Dit kwam ook tot uiting in
het adelsbeleid van Willem I: het waren niet uitsluitend ’oude heren ’ die benoemd,
verheven, erkend of ingelijfd werden. Men ging hierbij vrij pragmatisch
te werk: wie tot de eerste kringen van het land behoorde en aanzien genoot,
kwam klaarblijkelijk in aanmerking; wie adellijk leefde, kon verheven worden .
Zoals hierboven al ter sprake kwam , bestond er in de Amsterdamse ’patrice’
aanvankelijk bezwaar tegen de adel van die ’aangespoelde Oranjevorst’. Een
verzet, dat ongetwijfeld politiek gemotiveerd was. De heren voelden zich nog te
zeer de leiders der staat dan dat ze een bewijs van onderschikking wilden
aannemen: geen verknechting door verhering! Maar naarmate het duidelijker
werd dat hun alleenheerschappij zonder bemoeienis van Oranje - of met Oranje
als eerste dienaar van hün landspolitiek, niet meer mogelijk was, en een pact met
Oranje steeds onontkoombaarder werd voor het behoud van hun
maatschappelijke positie, zijn ze vermoedelijk ook meer voor de Oranje-adel gaan
voelen.

De adel was in verhouding tot de andere maatschappelijke groeperingen een
dalende stand. In 1848 verloor hij zijn politieke betekenis. Prerogatieven die er
toe hadden bijgedragen hem de maatschappelijke voorrang te verzekeren,
werden afgeschaft en wat restte was weinig meer dan het recht om titel of
predicaat te voeren . Gevolg was dat het instituut van de adelstand meer en
meer een maatschappelijk anachronisme werd. Het lijkt aannemelijk dat ook de
negentiende-eeuw ers deze daling zagen en dat de aanzienlijken onder hen om
deze reden het adeldom ook niet ambieerden. Toch zou men er verkeerd aan
doen dit motief als voor hen doorslaggevend of allesoverheersend voor te
stellen. Vooral als blijk van stand bleef een adellijke titel zeer in tel. Juist voor de
oude elites vormde het adeldom een oplossing voor maatschappelijke bedreiging.
De moeilijkheden waar de Raad voor kwam te staan, waren voor een goed deel
het gevolg van de staatkundige veranderingen van 1848, toen aristocratische
colleges als de Hoge Raad van Adel onder ministeriële verantwoordelijkheid
kwamen. Terw ijl daarvoor rechtstreeks aan de koning werd geadviseerd, ressorteerde
de Raad vanaf 1853 onder de Minister van Binnenlandse Zaken en vanaf
1860 onder Justitie. Het werkgebied van de Raad werd ertoe beperkt hem te
adviseren in adelszaken - andere taken en bevoegdheden kwamen te vervallen . De
ministeriële supervisie bleef niet zonder consequenties. In de praktijk
bleek de Koning ondanks het grondwetsartikel dat hem op dit gebied de eindbeslissing
garandeerde, inderdaad rekening te houden met de bezwaren en wensen
die zijn m inisters er in adelskwesties op na hielden.

Bij de behandeling van de aanvragen van Van Marselis Hartsinck, Crommelin
en de Van Hoorns ging het om de vraag wat nu beschouwd moest worden als een
’voldoende’ patricische afkomst

Bij de Crommelins was de eerste aanvraag wegens de onaanzienlijkheid van
de requestrant ('zekeren L. A. H. Crommllin, oud-Rijksontvanger te Makkum ’) niet in
serieuze behandeling genomen. De volgende werd dat wel. Van de
kant van de familie was aangevoerd dat men tot het Amsterdamse patriciaat
behoorde en bovendien in het bezit was van adeldom dat door Lodewijk X IV
verleend was. Het verzoek ging evenwel niet door, in de eerste plaats niet om dat
de Raad het patriciaat van de fam ilie onvoldoende vond. Interessant hierbij is
evenwel dat éen lid van de Raad tegen opname adviseerde omdat de familie niet
kon waarmaken gedurende 200 jaar in de Vroedschap van een belangrijke
stem hebbende stad gezeten te hebben. Andere leden vroegen zich af of de eis
niet 100 jaar luidde: dit bleek onzeker.

Een tweede vraag bij ’patricische’ adelsaanvragen was de kwestie in hoeverre
persoonlijke verdiensten van de requestrant een rol moesten spelen. De
meningsverschillen hierom trent spitsten zich toe bij de behandeling van het verzoek
tot verheffing van Dirk de Graeff, ’zich noemende De  Graeff van Polsbroek’ in
1869. De Hoge Raad van Adel had zich, daar het handelde om een ’zoo oud, zoo
aanzienlijk en zoo historisch bekend ’ patricisch geslacht, uitgesproken vóór
verheffing, maar de minister Van Lilaar maakte bezwaar. Hij meende ’dat de
afstamming van een oud en aanzienlijk geslacht, hoe volledig ook bewezen, in
den tegenwoordigentijd op zichzelf geen voldoenden grond kan opleveren tot
opneming in den Nederlandschen adel’. Op dit punt weken de meningen van
de Minister en de Raad duidelijk uiteen, zoals ook al iets eerder - in 1868 -
gebleken was bij de behandeling van het verzoek Smissaert, een patricische
familie uit Rhenen. Ook hier had de Raad gunstig geadviseerd en had de
Minister zich tegen verheffing verzet. Bij een hernieuwde aanvraag in 1886 gaf
de pre-adviseur Schimmelpenninck van Nijenhuis het vanouds door de Raad
ingenomen en steeds verdedigde standpunt weer, door tegenover ’den eisch aan
het patriciaat eener familie, dat van bijzondere persoonlijke verdiensten harer
leden blijke ,. . . ’ de overweging te plaatsen 'dat bij het Patriciaat het bekleeden
in Staat, Gewest, of Stad der Regeringsambten de daartoe behoorende familien
op zich zelve reeds, kenmerkte als zich verdienstelijk te hebben gemaakt jegens
den Staat.’ Hij meende dat 'het niet daar zijn van (...) beroemde of uitmuntende Leden,
evenmin het patricische karakter aan eene regeringsfamilie (kan)
ontnemen, als dat daardoor, aan een oudadelijk geslacht den adeldom zoude
kunnen ontzegd worden’. Ook al was de Raad bereid te erkennen dat ’persoonlijke
omstandigheden’ een beletsel voor nobilitatie konden vormen, in
principe moest een patricische afkomst aanspraak op verheffing geven. In
zoverre won de Raad dit pleit dat in 1885 Dirk de Graeff, na opnieuw gerequestreerd te
hebben, verheven werd en in het volgende jaar Smissaert
eveneens.


Dit voert ons naar de derde kwestie: hoe aanzienlijk en vermogend moesten
de requestranten zijn om het patriciaat van hun familie in adeldom omgezet te
krijgen. Ook dit stond niet vast. Het werd bij elke aanvraag afzonderlijk
bekeken. De behandeling van het verzoek van Nicolaas Witsen uit 1924 is hier
verhelderend. Zij laat zien hoe de eis van ’persoonlijke verdiensten’ - de
vroegere opstelling van het college ten spijt - uiteindelijk ook in de Hoge Raad
van Adel van doorslaggevend gewicht werd. Aan de patricische antecedenten
van de familie Witsen mankeerde niets, maar hieraan wilde de Raad nauwelijks
aandacht besteden. De persoonlijke maatschappelijke positie van Nicolaas Witsen, zi'jn
aanzien en vermogen, riepen namelijk vraagtekens op. Om hierover
nader geïnformeerd te worden, richtte de Raad zich tot de Commissaris der
Koningin in Noord-Holland (Witsen woonde in Hilversum ). Deze bleek de man
niet te kennen, wat op zich waarschijnlijk al een veeg teken was, en speelde het
verzoek door naar de burgemeesters van Hilversum en Amsterdam , die wisten
te berichten dat betrokkene ’grossier is in ijzerwaren; dat in zijn bedrijf, behalve
zijn zoon, één knecht werkzaam is; dat hij van een zeer bescheiden inkomen
moet leven, en dat hij gehuwd is met eene juffrouw Weyermans’. De Raad
meende op grond hiervan dat ’Al moge de aanvrager ook een zeer fatsoenlijk,
eerlijk en betrouwbaar man zijn, in ’t genot van eene goede reputatie, gelijk ook
wordt medegedeeld (...), des aanvragers maatschappelijke omstandigheden
niet van dien aard zijn, dat, al zou hij afstammen uit een Amsterdamsch
Regeeringsgeslacht, van verheffing sprake zou kunnen zijn’.
Blanken Jansstraat 1- 26
Adresboek Haarlem
01 09 1873
Huidige nr 63 en 63 A
Blanken Jansweg 52
Adresboek Haarlem
01 09 1878
Blanken
overleden 25 juni 1880
te Bloemendaal
Weduwe Blanken, M
Florapark 6
Adresboek Haarlem
01 09 1884
Overlijden
Weduwe Johan Wilhelm Blanken
Datum 19-02-1898
Haarlem Florapark 6
Blanken Jansweg 52
gevraagd keukenmeid
Haarlemsch Advertentieblad
25 06 1879
Huwelijk
op 24 april 1885 te Haarlem
Adriaan Rudolph Willem Geij van
Pittius,en
Antonia Catharina Anna Paulina
Blanken,
Gaan wonen in Den Haag, daarna
Batavia
Huwelijk
op 21 mei 1875 te Haarlem
Johan Amile Matthes en
Magteld Aleida Blanken
Gaan wonen in Amsterdam
Huwelijk op 22 juni 1876 te
's-Gravenhage
Getuige C.L.M. Smissaert
wonende Haarlem
Huwelijk op 21 september 1876
te 's-Gravenhage
Getuige C.L.M. Smissaert
wonende Haarlem
smissaert
adresboek 01 09 1878
C.L.M Nieuwe gracht 11
O. Jansstraat 63
Otto  Smissaert
12 04 1876 uit Ned Indie vertrokken
04 08 1876 zoon geboren Den haag
04 01 1877 zoon overleden te Leiden
adresboeken 1874 t/m en 1877
onbreken
01 05 1873 jansstraat 63 bewoond
door de gepensionneerde
luitenant-generaal Blanken,
oud-minister van Oorlog. (Allan blz 350)
Willem geb. 28 Nov. 1855, overl. op 30
Nov. 1883 te Port-Said, zijnde
tweede-luitenant bij het N.-I. leger.

Utrechtsedwarsstraat 47-49
Beschrijving
Ontwerptekening met aanzicht, plattegronden en doorsnede voor
het verbouwen van het koetshuis met paardenstal en bovenwoning.
Documenttype
bouwtekening
Vervaardiger
Smissaert, W.J.E.
Collectie
Archief van de Rooimeesters, later Bouwopzichters
Datering
5 mei 1874 t/m 22 mei 1874

Voor jonkvrouw C.M. Baronesse Van Hangest d'Yvoy
W.J.E. Smissaert 1808-1880)

Directeur der West-Indische
Maatschappij, gevestigd te Amsterdam
Leydsche gracht tussen de Heeen- en
Keizersgrachten nr 9    Mei 1849
Buitenplaats Oosterhout

bewoners:1630 - 1651 Jan Corneliszoon Geelvinck
1651 - 1689 Cornelis Geelvinck x Margaretha Bicker
1689 - Eva Geelvinck x Hendrick Bicker en Agatha Geelvinck x Frederick Alewijn
1722 - 1731 David Mattheus de Neufville x Jacoba Elisabeth van Gelder
1731 - 1734 Jacoba Elisabeth van Gelder
1734 - 1735 Reynaldus van der Linden x Maria Commelin
1735 - 1767 François Lestevenon
1767 - 1772 Jan Clifford x Anna Wolters
1772 - 1773 Anna Wolters
1773 - 1797 Jacob Feitama Willemszoon
1797 - 1803 familie Feitama
1803 - Marcus Marcelluszoon Broen
- 1851 Catharina Broen
1851 - C.M. baronesse van Hangest d'Yvoy
1875 - 1880 W.J.E. Smissaert
1880 - 1885 Eliza de Wit
1886 - 1897 Wilhelm Cnoop Koopmans
1897 - 1898 P. Vermeulen
1899 - dhr. R.A.M. Grippeling (NV Haarlemmerhoutpark)
1923 - 1926 Paul Cassirer x Tille Durieux
1945 - School

Bouwjaar:        1853
Categorie:        Cargo vessel
Voorstuwing:        Sailing Vessel
Type:        Bark
Masten:        Three masts
Material Hull:        Wood
Dekken:        2


Bijlage bij eigendomsbewijs 63 van 1853, bark AMSTERDAM
eigenaren per medio november 1853:

firma Wed. Van Hasselt & Co., Amsterdam (boekhouders en 1/16e part)
Jhr. J.E. Huydecoper van Zeyst, Amsterdam (1/16e part)
Barend Dirk Bosscher, Amsterdam (1/16e part)
F.F. Groen, Amsterdam (1/8e part)
firma Buys, de Bordes & Jordan, Amsterdam (1/16e part)
P.G.C. Hagenius, Amsterdam (1/16e part)
Jhr. A.C. Broen, Amsterdam (1/8e part)
Jkvr. C.M. van Hangest, baronesse d’Yvoy, Amsterdam (1/16e part)
M. Spreeuw, Amsterdam (1/16e part)
J. Zaal, Amsterdam (1/16e part)
A.H. Wehdemeijer, Amsterdam (schipper en 1/16e part)
J. Enschedé, Haarlem (1/16e part)
J.W.H. Smissaert, ’s-Gravenhage (1/16e part)
H.A.C. Smissaert, ’s-Gravenhage (1/16e part)

1853-11-12:        NRC 131153
Amsterdam, 12 november. Heden is op de werf de Boot, van F.F. Groen, met het
beste gevolg van stapel gelopen het barkschip AMSTERDAM, groot 225 lasten.
Het is gebouwd voor rekening van de Wed. Van Hasselt & Co, en zal gevoerd
worden door kapt. A.H. Wehdemeijer.
1863-11-03:        Final Fate:
Gestrand bij Kijkduin en wrak.
1863-11-05:        DC 071163
Amsterdam, 5 november. Het Nederlandse barkschip AMSTERDAM, kapt. A.H.
Wehdemeijer, van Tjilatjap met stukgoederen naar Amsterdam, is eergisteren
avond bezuiden Kijkduin gestrand; de equipage is, uitgenomen één matroos,
gered. Heden zijn er 27 kisten thee uit het schip beschadigd geborgen. De
verdere lossing wordt met levensgevaar voortgezet, daar het schip gebroken is
en vol water zit. De koffie spoelt reeds aan strand.
1863-11-08:        DC 101163
Amsterdam, 8 november. Het schip AMSTERDAM, kapt. Wehdemeijer, van
Tjilatjap herwaarts, bij Kijkduin gestrand, is volgens bericht van het Nieuwe Diep,
dd. 6 dezer, verbrijzeld; van de lading zijn 23 kisten indigo en enige kisten thee
doornat geborgen.
1863-11-14:        NRC 141163. Amsterdam, 13 november. Het wrak van het bij
Kijkduin gestrande schip AMSTERDAM, kapt. Wehdemeijer (opm: bark
AMSTERDAM, kapt. A.H. Wehdemeijer), van Tjilatjap op hier bestemd, is de 11e
dezer met de nog in hebbende lading voor NLG 2600 verkocht.
Na het overlijden van David Mattheus in 1731 verkoopt zijn weduwe Jacoba van Gelder de verkleinde buitenplaats Oosterhout in
1734 voor 6.100 gulden aan de Amsterdammer Reynaldus van der LInden. Na het overlijden van Reynaldus verkoopt zijn
weduwe Maria Commelin de hofstede met bijgebouwen, oprijlaan, tuinmansgereedschap, broeibakken en glazen plus een schuit
voor 11.000 gulden aan François Lestevenon (1702 - 1767), schepen en later ook burgemeester van Amsterdam. Hij laat de
buitenplaats verfraaien.

Zijn vijf schoonzonen veilen de buitenplaats, na het overlijden van François Lestevenon in 1767, in het Oudezijdsherenlogement
te Amsterdam. Jan Clifford (1710 - 1772), bankier en schepen (en later ook twee keer burgemeester en bewindhebber van de
Oostindische Compagnie) koopt de buitenplaats voor 29.800 gulden. Hij was een zoon van George CLifford en Maria Bouwens
die de zomermaanden op de buitenplaats Hartekamp.vertoefden. Drie maanden na zijn dood is het destijds bekende
bankiershuis Clifford failliet gegaan.

Zijn weduwe Anna Wolters veilt de buitenplaats in 1773. Deze wordt gekocht door Jacob Feitama Willemszoon, koopman in
katoen en lijnwaad evenals keurmeester van de hop. Hij paste de landschapsstijl toe in zijn tuin met huidige slingervijver in het
Haarlemmerhoutpark. Na het overlijden van Jacob in 1797 bleef het huis nog tot 1803 in de familie.

Op 3 juni 1803 verkoopt schoonzoon Marinus Adrianus Perpetuus Smissaert (ritmeester en inspecteur-generaal van de
tinmijnen op Banka en Billiton) de buitenplaats voor 30.250 gulden aan Marcus Broen Marcelluszoon te Amsterdam, samen met
2 morgen weiland buiten de omheining tot aan het Spaarne. De buitenplaats bleef lang in eigendom van de familie Broen.

Op 28 augustus 1851 komt het huis aan C.M.baronesse van Hangest d'Yvoy als erfgename van vrouwe Catharina Broen,
douarière van de heer Hangest baron d'Yvoy.

In 1860 wordt als bewomer W.J.E. Smissaert uit Amsterdam genoemd. Aanvankelijk als huurder kocht hij de buitenplaats in 1875
en overleed hier op 2 januari 1880. De buitenplaats is dan geen zomerverblijf. De erfgenamen (twee kleinkinderen van
Smissaert) verkopen het huis voor 40.000 gulden aan Eliza de Wit, grondeigenaar te Haarlem. Hij heeft hier naar wordt
aangenomen nooit gewoond, maar bracht het herhaaldelijk zonder resultaat op de veiling. Na zijn overlijden op 29 september
1885 verkopen de erfgenamen het huis in 1886 voor 25.000 gulden aan Wilhelm Cnoop Koopmans uit Amsterdam. Een dochter,
Louisa Catharina, Wies, trouwde in 1891 met de dichter Herman Gorter.
Regionaal Archief Zutphen, Inventaris van het archief van de Familievereniging Van Hasselt
(1624-2019), nummer toegang 0023, inventarisnummer 3173
Gezin van Emma Davidson
Zij is getrouwd met Hendrik Anne Constantijn Smissaert op 16 december 1835 te Pasoeroean,
Jawa Tengah (Djawa Tengah), Indonesië, zij was toen 17 jaar oud.

Kind(eren):

Marien John Smissaert  1838-1921
Jacob Willem Hendrik Smissaert  1839-1893
Hendrik Anne Constantijn Smissaert  1840-1843
Hendrik Anne Constantijn Smissaert  1843-1869
Emma Smissaert  1844-1914
Louise Smissaert  1847-1921
Charles Smissaert  1849-1849
Eliza Helen Smissaert  1853-1878

Datering:        
25-01-1781
Aktenummer:        
14
Datum:        
25-01-1781
Soort akte:        
Procuratie
Samenvatting:        
om in Holland en Utrecht eed af te leggen op aanbreng voor het
collateraal van effecten, nagelaten door Johan Adriaan Roos, in
leven
kanunnik van het kapittel ten Dom te Utrecht
Constituant:        
    
erven ab intestato Johan Adriaan Roos:
    
Jan Carel Smissaert, zwager
Voornaam:        Jan Carel
Achternaam:        Smissaert, zwager
Beroep:        raad in de vroedschap van Utrecht
    
Dominicus van Hoytema, zwager
Notaris:        
C. DE WIJS
Geconstitueerde:        
    
Jacob des Tombe
Bijzonderheden:        
comparanten handelen als echtgenoten van Lucia Gerarda Roos en
Elizabeth Maria Roos, zusters en erven ab intestato van Johan
Adriaan Roos
Suriname en Nederlandse Antillen: Vrijverklaarde slaven (Emancipatie 1863), Voornamen: Cornelia Maria
Periode: 1863 1863
Voornamen Cornelia Maria
Achternaam Hangest baronesse d'Yvoy, d'
Beroep Zonder beroep
Straat en huisnummer -
Plaats Amsterdam
Land Nederland
Plaats plantage Johan en Margaretha
Locatie plantage Suriname
Borderelnummer PL102
Opmerkingen Ongehuwd en meerderjarig; eigenaren zijn de erfgenamen en de nagelaten kinderen van wijlen
Catharina Broen en Paul Engelbert van Hangest baron d'Yvoy. Catharina Broen was de enig in leven zijnde kind van
wijlen Marcus Broen Marcelluszoon (overleden op 18-07-1852) en wijlen Anna Magdalena van Hasselt. Geen nader
aandeel gegeven; invullers borderel Carel Daniël Brakke (grondeigenaar) en Paul René Planteau (administrateur)
en voor ontvangst van de tegemoetkomingsgelden tekenden David Martinus Uhlenkamp (administrateur) en Carl
Daniël Brakke. Overige gemachtigden in Suriname: William Humphreys, Guillaume Jacob Abraham Bosch Reitz en
Tjark Jansen Eijken Sluijters, allen administrateurs
Slaven
Achternaam             Voornaam                               Slavennaam
Getrouwe, de         Daniel                                              Spadille
Seraf                     Lidia Frederika                                 Frederika
Seraf                     Thomas Wellingthon                         Wellingthon
Seraf                     Alijda                                                 Alijda
Seraf                     Lucia Mijntje                                      Mijntje

Eigenaren
Achternaam                                    Voornamen
Hangest baronesse d'Yvoy, d'        Anna Magdalena
Hangest baronesse d'Yvoy, d'        Cornelia Maria
Voornaam Lidia Frederika
Achternaam Seraf
Slavennaam Frederika
Geslacht vrouw
Leeftijd 47
Beroep Veldmeid
Godsdienst EBG
Plaats plantage Johan en Margaretha
Verblijfplaats Johan en Margaretha
Provincie plantage Beneden Cottica
Borderelnummer PL102
Opmerkingen Blijkens borderel slavennaam Frederica
Voornaam Daniel
Achternaam Getrouwe, de
Slavennaam Spadille
Geslacht man
Leeftijd 47
Beroep 1e officier
Godsdienst EBG
Plaats plantage Johan en Margaretha
Verblijfplaats Johan en Margaretha
Provincie plantage Beneden Cottica
Borderelnummer PL102
Opmerkingen Blijkens borderel leeftijd 49 jaar; Getrouw
manumissienaam 1852 en 1861. De Trouwe
manumissienaam uit 1852
Voornaam Thomas Wellingthon
Achternaam Seraf
Slavennaam Wellingthon
Geslacht man
Leeftijd 23
Beroep Dresneger
Godsdienst EBG
Plaats plantage Johan en Margaretha
Verblijfplaats Johan en Margaretha
Provincie plantage Beneden Cottica
Borderelnummer PL102
Opmerkingen Zoon van Lidia Frederika Seraf;
blijkens borderel slavennaam Wellington
Voornaam Alijda
Achternaam Seraf
Slavennaam Alijda
Geslacht vrouw
Leeftijd 22
Beroep Bij de fabriek
Godsdienst EBG
Plaats plantage Johan en Margaretha
Verblijfplaats Johan en Margaretha
Provincie plantage Beneden Cottica
Borderelnummer PL102
Opmerkingen Dochter van Lidia Frederika
Seraf; blijkens borderel slavennaam Alyda
Voornaam Lucia Mijntje
Achternaam Seraf
Slavennaam Mijntje
Geslacht vrouw
Leeftijd 12
Beroep Bij de fabriek
Godsdienst EBG
Plaats plantage Johan en Margaretha
Verblijfplaats Johan en Margaretha
Provincie plantage Beneden Cottica
Borderelnummer PL102
Opmerkingen Dochter van Lidia Frederika Seraf;
blijkens borderel leeftijd 13 jaar
Op De Salentein, het statige landhuis in de bocht naar Putten, woonde in de negentiende eeuw een belangrijke adellijke dame.
Cornelia Maria van Hangest Baronesse d'Yvoy werd geboren in 1820 en bleek op volwassen leeftijd zeer betrokken te zijn bij de
Nijkerkse samenleving, in het bijzonder bij mensen die het minder goed hadden dan zijzelf. Vanwege de goede werken, die zij met
het familiekapitaal voor Nijkerk deed, kreeg ze de bijnaam 'de weldadige freule'.
Zo stichtte ze onder andere de bewaarschool in de Kloosterstraat, het kerkje in Driedorp (mensen hoefden dan niet elke zondag
zo ver te lopen naar de stad), kregen de bewoners van Appel elk jaar een kerstgeschenk en was ze samen met haar zus Anna
Magdalena lid van het bestuur van de Christelijke School Nijkerkerveen. Cornelia Maria bereikte een hoge leeftijd, zij overleed in
1902.

De goede werken van de freule hadden echter ook een schaduwzijde. Door vererving was de freule eigenaresse geworden van
koffieplantages in Suriname, waarop slaven te werk waren gesteld. De opbrengsten van de plantages vormden onderdeel van het
vermogen van de freule.
Suriname en Nederlandse Antillen: Vrijverklaarde slaven (Emancipatie 1863), Voornamen: Alida Maria Catharina
Periode: 1863 1863
Voornamen Alida Maria Catharina
Achternaam Klein
Beroep -
Straat en huisnummer -
Plaats Den Haag
Land Nederland
Plaats plantage St Barbara
Aandeel eigenaar 5/80 aandeel
Locatie plantage Suriname
Borderelnummer PL011
Opmerkingen Gehuwd met Jacob Willem Hendrik Smissaert (gepensioneerd Oost-Indisch ambtenaar)
EGB= Evangelische Broedergemeente
Voornaam Jacob Cesar
Achternaam Arbara
Slavennaam Cesar
Geslacht man
Leeftijd 13
Beroep In de leer
Godsdienst EBG
Plaats plantage Etablissement
Beekhuizen
Verblijfplaats Etablissement Beekhuizen
Provincie plantage Beneden Para
Borderelnummer PL011
Voornaam Jacobus Marinus
Achternaam Willemzorg
Slavennaam Jacobus
Geslacht man
Leeftijd 25
Beroep Oningevuld
Godsdienst Oningevuld
Plaats plantage St Barbara
Verblijfplaats St Barbara
Provincie plantage Beneden Suriname
Borderelnummer PL011
Voornaam Abigael Adolphina
Achternaam Willemzorg
Slavennaam Abigael
Geslacht vrouw
Leeftijd 63
Beroep Van geen dienst
Godsdienst EBG
Plaats plantage St Barbara
Verblijfplaats St Barbara
Provincie plantage Beneden Suriname
Borderelnummer PL011
Voornaam Marietje Francina
Achternaam Willemzorg
Slavennaam Marietje
Geslacht vrouw
Leeftijd 67
Beroep Van geen dienst
Godsdienst EBG
Plaats plantage St Barbara
Verblijfplaats St Barbara
Provincie plantage Beneden Suriname
Borderelnummer PL011
Voornaam Eva
Achternaam Willemzorg
Slavennaam Eva
Geslacht vrouw
Leeftijd 62
Beroep Veldmeid
Godsdienst EBG
Plaats plantage St Barbara
Verblijfplaats St Barbara
Provincie plantage Beneden Suriname
Borderelnummer PL011
Cornelia Maria van
Hangest Baronesse
d'Yvoy
Wanneer in Amsterdam
Prinsengracht 790