Bewoners en bedrijven voor zover bekend.        index
Index > Dominees
A. Alardin (Abraham)
Geboren: 1687 te Wezel-Cleef
Overleden: 15 juni 1731 te Haarlem

Functie: predikant
Studie: onbekend
Portret: geen
Kandidaat: onbekend te Haarlem
Gemeentes
Voorschoten
Bevestigd op: 24 augustus 1710
Bevestigd door: onbekend
Bevestigingstekst: onbekend
Intrede op: 24 augustus 1710; tekst: onbekend
Afscheid op: 27 november 1712; tekst: onbekend

Deventer
Bevestigd op: 12-1712
Bevestigd door: onbekend
Bevestigingstekst: onbekend
Intrede op: 1712; tekst: onbekend
Afscheid op: 1714; tekst: geen

Haarlem
Bevestigd op: 1714
Bevestigd door: onbekend
Bevestigingstekst: onbekend
Intrede op: 1714; tekst: onbekend
Afscheid op: geen; tekst: geen

Overig
Beroepen: 3
Bevestigd: 3
Nominaties: 3
Handoplegging: 0
Bijzonderheid: 7

bron: Dominees.nl
De tentoonstelling ‘Vier eeuwen
domineesland’ in het
Catharijneconvent herbergt een aantal
opzienbarende attributen. Zo is er een
pamflet uit 1700 over het traktement
van de dominee.

"Bewijs, Dat het een Predikant met Sijn
Huysvrouw alleen niet mogelijck en is
op 500 guldens eerlyck te leven."
Daarna volgt een opsomming van de
uitgaven voor een predikant. Een hoed
blijkt een jaar mee te gaan, een mantel
10 jaar. Ook de huishoudelijke
uitgaven zijn op dit pamflet nauwgezet
berekend (200 eieren per jaar). Een
predikant in een dorpsgemeente
verdiende in die tijd 400 gulden per
jaar; een Amsterdamse stadspredikant
genoot een salaris van 2000 gulden
per jaar.

Bezoekers in gesprek
Bij dit bord ontspint zich een
interessante discussie tussen een
aantal bezoekers. "Het was geen
vetpot", zegt de ene bezoeker. Een
ander: "Maar ze hadden wel aanzien."
Een derde reageert met: "Nou, met dat
inkomen viel het anders wel mee. Ze
kregen een hoop. De boeren uit ons
dorp brachten zakken vol aardappels."
Weer een ander: "Maar die
studieboeken, die waren erg duur. Dat
ging er wel weer van af."
Ook die opmerking lokt een reactie uit:
"Maar de dominee had wel een
uitstekend huis. En als een zoon ging
studeren kreeg hij gemakkelijk en
goedkoop een kamer in de grote stad.
Veel mensen wilden graag een
domineeszoon op kamers."
De bef

Een bef is een platte kraag van wit linnen die vooral door predikanten, advocaten en professoren
onder de hals gedragen wordt en met bandjes wordt vastgeknoopt. De Rotterdamse dominee Jan
Scharp (1756-1828) vond dit kledingstuk heel belangrijk voor predikanten, temeer omdat allerlei
„zeer brave mensen” in hun huizen portretgravures hadden van met beffen getooide, geachte
voorgangers: „De openbare redenaar, de predikant, de leden van een kerkelijke vergadering
winnen gewis in deftigheid en statigheid door een gepaste ambtskleding. Maar vooral is die nuttig
en bijna onontbeerlijk in de kerkelijke huisbezoeken, bijzonder in de achterste hoeken van de
steden. Daar bewaart een dergelijk ambtsgewaad de leraar voor veel onaangename ontmoetingen
(…) en geeft het meer kracht aan zijn vermaningen, bestraffingen, opwekkingen en lessen. Immers,
deze, dikwijls in de grond zeer brave mensen, zijn gewend aan de portretten van hun vorige en
meest geachte leraars, die gebeft en wel hun woningen versieren. Zij zullen nauwelijks de befloze
leraar in kwaliteit sprekende, erkennen.”

J. Scharp, Oudheid- en geschiedkundige verhandeling over de beffen of halskragen, inzonderheid
der kerkelijken (Rotterdam, z.j.).
Kasparus Alardin werd in 1658 geboren in de Noord-Duitse Hanzestad Bremen. Zijn gezondheid was zwak. Al jong klaagde hij over zijn maag en over
andere zwakheden. Reeds in zijn jeugd hoopten zijn godvrezende ouders dat de Heere hem wilde gebruiken in Zijn dienst. Hun wens ging spoedig in
vervulling.

Op zijn 23e levensjaar werd Alardin bevestigd tot predikant. De eerste gemeente die hij diende, was het havenstadje Sluis in Vlaanderen. In Sluis
stonden eerder Jodocus van Lodenstein (van 1650 tot 1653) en Jacobus Koelman (van 1662 tot 1675). Volgens ds. K. Exalto, die in zijn boek "De
kracht der religie. Tien schetsen van gereformeerde oude schrijvers uit de 17e en 18e eeuw" (1976) een hoofdstuk wijdt aan een van de publicaties
van Alardin, was Sluis een gemeente die juist vele moeilijkheden achter de rug had. Koelman was hier -ten onrechte- in diskrediet geraakt, omdat hij
de landelijke overheid niet gehoorzaam was ten aanzien van de viering van de feestdagen, vanwege zijn opvattingen over de vastgestelde
formulieren voor doop en avondmaal, en over enkele gevallen van kerkelijke censuur. Uiteindelijk werd Koelman zelfs uit de stad verbannen. "Sluis
was dan ook eigenlijk een te zware last op de zo tengere jonge schouders van deze jongeman."


Ook in andere opzichten was de periode in Sluis voor Alardin een moeilijke tijd. Eerst overleed zijn moeder, vervolgens een zuster, daarna
verdronken zijn vader, zijn broer en een nicht tijdens een boottocht op zee.

In Sluis ontviel hem ook zijn vrouw, Magdalena Momma. Ze overleed op 28-jarige leeftijd in het kraambed, samen met het geboren zoontje. Alardins
oudere ambtsbroeder uit Sluis, David Montanus, schreef bij die gelegenheid een rouwgedicht: "Rachels lijck-zang, op ''t droevig overlijden van
d''eerbare, deugt-rijcke, wel-begaefde juffrouw, juffr. Magdalena Momma, huysvrouwe van d''eerwaerde, godsalige, wel-geleerde heer Casparus
Alardin, getrouwe ziel-versorger in de gemeynte Jesu Christi tot Sluys in Vlaenderen."

Alardins echtgenote was volgens Montanus "christelijk in de Heere ontslapen." In diepe droefheid wenste Alardin zijn vrouw wel te volgen, maar de
gemeente van Sluis "hield hem door gebêên Beneen."

Arnhem

Op 1 mei 1685 werd Kaspar Alardin bevestigd tot predikant in Wezel, een Duitse stad die nauw aan de Nederlanden verbonden was. Drie jaar later
vertrok hij naar de Grote of Sint-Eusebiuskerk te Arnhem. Een onbekend gebleven biograaf schrijft: "Het heeft de Heere beliefd om hem niet lang op
één plaats te laten, opdat meer dan één gemeente zich in zijn licht, dat niet lang zou schijnen, zou verheugen, en hij zijn kroon uit zielen van meer
dan één gemeente vlechten mocht."

Arnhem zou zijn laatste gemeente worden. Hoewel hij nog maar dertig jaar oud was, voelde hij zich reeds geheel versleten. In een van zijn nagelaten
preken schrijft Alardin over de zwakheid van het menselijk lichaam: "Veeltyts is het lighaam ook meenigerhande siecktens ende swachkeden
onderworpen, dewelcke de ziele allerhinderlickst zijn in den dienst van God. Kranckheden zijn groote hinderpaalen, want wanneer de mensch eens
onderworpen is eenige siecktens, soo kan een Hooftpijn, ''t Colyk, een Koorts, ''t Podagra of andere toevallen de ziel veel terughouden in den dienst
des Heeren."

In Arnhem heeft hij niet veel kerkdiensten meer geleid. Toen dat niet meer ging, schreef hij zijn preken met de hand uit. En toen dat ook niet meer
ging, dicteerde hij ze vanaf zijn ziekbed.

Nadat hij afscheid had genomen van zijn gemeente, werd Alardin in de vroege morgen van 15 augustus 1692 op 34-jarige leeftijd van zijn aardse
post afgelost. Toen vond plaats wat hij zelf ergens had opgeschreven: de dood schuift het gordijn weg, waardoor de ziel der gelovige verlost wordt
van het zwakke lichaam, waarna zij God aanschouwen mag.


digibron
ALARDIN, CASPARUS
(1658-1692)
*Bremen 1658, †Arnhem 15-8-1692. Pred. Sluis
15-3-1681, Wezel 1685, Arnhem 1688. &1 Margaretha Momma, &2 zusv Vlaardingse pred. en
poëet Willem d’Orville.
Levensloop
Voordat Casparus Alardin theologie te Utrecht
ging studeren, had hij bij zijn oom Johannes
Alardin, predikant te Emden, een vooropleiding
gevolgd. Te Utrecht kreeg vooral de coccejaanse
professor Franciscus Burmannus* grote invloed
op hem. Alardins lijkredenaar Johannes d’Outrein* schreef dat de hoogleraar de student niet
als een leerling, maar als een zoon beminde, en
hem zelfs toegang verschafte tot de geheimen
van zijn studie.
Op 29 juli 1680 legde Alardin het praeparatoir
examen af; de classicale acta typeren hem als een
voorbeeld voor anderen die zich op de heilige
dienst voorbereidden. Jacobus Koelman* was
hiervan echter minder overtuigd, want hij protesteerde toen Alardin beroepen werd in Sluis,
de gemeente die hij zelf niet meer als predikant
mocht dienen. Zo verweet hij hem vooral zijn
verhouding tot Burmannus. Alardin kon de
kerkenraad van Sluis evenwel geruststellen. In
een brief merkte hij althans op dat hij gebruik
had willen maken van Burmannus’ geleerdheid
en van diens andere bekwaamheden, maar dat
hij het op diens colleges vaak niet eens was geweest met wat de hoogleraar had geponeerd, in
het bijzonder als het ging over de macht van de
overheid en over de regering van de Kerk en van
de ouderlingen. De kerkenraad werd overtuigd,
Koelman evenwel niet, want nog in 1683 wees
deze er in zijn pamflet Formeele protestatie op
dat Alardin nog steeds de coccejaanse sabbatsvisie aan de gemeente voorhield.
De periode te Sluis was zeker in persoonlijk
opzicht voor Alardin heel bewogen. Zijn moeder overleed toen. Enige tijd later brachten zijn
vader, zijn broer en een nicht hem een bezoek,
maar op de terugreis sloeg het schip waarmee ze
voeren om en verdronken ze alle drie. Ten slotte
stierf Alardins vrouw, Magdalena Momma, in
1683, kort na een bevalling. Ook hun pasgeboren kind overleed toen. Om hem troost te bieden vervaardigde Alardins ambtgenoot in Sluis,
David Montanus*, Rachels lijck-zang op het
overlijden van Alardins vrouw, dat tevens een
berijmd verslag van haar sterfbed bevat. In dit
werkje schreef D’Orville ‘Rouw-klachten’. Later zou Alardin hertrouwen met een zuster van
D’Orville.
Na een interimperiode te Wezel werd Arnhem
de laatste standplaats van Alardin. D’Outrein
was hier kortstondig zijn plaatselijke collega: van
D’Outreins intrede in mei 1691 tot de dag dat
Alardin stierf, 15 augustus 1692. Beiden hadden
al in 1684 in Sluis kennis met elkaar gemaakt en
er was wederzijdse waardering ontstaan. In 1692,
kort vóór zijn sterven schijnt er van Alardin nog
een lijkpredicatie verschenen te zijn die hij gehouden had naar aanleiding van het overlijden
van zijn ambtgenoot Petrus Keuchenius een jaar
eerder, maar het werkje is tot op heden niet gevonden.
Alardin had geen sterke gezondheid. In het preken muntte hij volgens D’Outrein niet uit door
een krachtig stemgeluid, in die tijd een aanzienlijke handicap. D’Outrein gaf de lijkpreek die
hij op Alardin gehouden had uit in de vermeerderde derde druk van zijn prekenbundel Eerste
en laaste redenen, onder de titel: ‘Na-gedagtenis
van […] Casparus Alardin’. Hij vervaardigde tevens gedichten voor Alardins De geluksaligheyt.
Als geboren Duitser gebruikte Alardin tot het
einde van zijn leven de Duitse taal, onder meer
bij het voorbereiden van zijn preken.

Encyclopedie Nadere Jeformatie - BoekDB
www.boekdb.nl/mediafile/552f9cb5c4abd1.59795371.pdf
Op welke wijze hij tijdens zijn ziekte aan Gods wil onderworpen was en zijn hart
meer en meer van de wereld en wat hem in de wereld lief was, zoals zijn gemeente,
vrouw en kinderen, heeft losgemaakt, weten diegenen, die gedurende zijn ziekte
gelegenheid gehad hebben, om zijn gulden, hoewel zwakken mond te horen smeken
en spreken.
De LAATSTE UREN van K. ALARDIN
door Wilhelm van Eenhoorn.
Ondertrouw op 24 augustus 1684 te Amsterdam
=
Bruidegom
Casparus Alardin
Bruid
Hester Corsellis (wonende keizersgracht)
Eerdere vrouw
Magdalena Momma
Ondertrouw op 30 december 1681 te
Amsterdam
=
Bruidegom
Casparus Alardin
Bruid
Magdalena Momma leidsegracht
Trouwen op 4 januari 1682 te
Rotterdam
=
Bruidegom
Kasparus Allardijn, other:j.m., Do en
Predikant van beroep
Bruid
Magdalena Momma, other:j.d.

Ondertrouw op 4 januari 1682 te
Rotterdam

Bruidegom
Kasparus Allardijn, other:j.m., Do en
Predikant van beroep
Bruid
Magdalena Momma, other:j.d.

Opmerking
Bruidegom: Do en Predikant te Sluys
in Vlaenderen
Jean Corsellis op de keijsersgragt
begrafenis 21 05 1697 westerkerk
ingeschrevene:
Dorville, Willem op de keijsersgragt
datum begrafenis:
04-04-1719
begraafplaats:
Wester Kerk

56953 Huwelyks-zang voor den heere Willem d'Orville,
bedienaar des Goddelyken woordts te Haarlem en jonkvrouw
Klazyne van Zeller : in den echtenstaat vereenigt den 2. Febr.
1702 / L. Rotgans, 1702   
Willem anslaer

Ook de voorrede, die vooraf gaat aan De gelukzaligheid van den weg der rechtvaardigen,
alsmede de fonteine des levens, enz. door D. Kasparus Alardin, te Amsterdam 1692, is (zie
hiervoor blz. 109) van zijn hand. Mede bezorgde hij een nieuwe uitgave van Gualtherus
Boudaan's De leere der Waarheid en Opstanding der twee getuigen, voor het 2de deel
waarvan hij de voorrede schreef. ‘Ook leest men (de la Ruë, ll. fo. 272) eenige Latijnsche
brieven, van hem aan zijnen schoonvader Coccejus geschreven, in deszelven Anecdota te
vinden, alsmede twee dusdaanige aan N. Blankaard, geboekt in P. Burmanni Sylloge
Epistolarum’ etc. Was Anslaer een bewonderaar van Coccejus, dat ook deze laatste veel
ophad met zijn schoonzoon, zegt ons Sepp in zijn: Het Godgeleerd onderwijs in Nederland,
dl. II, blz. 314, 338, 388.

Onder zijn groote vrienden rekende Anslaer, behalve Momma, vooral ook, gelijk reeds werd
opgemerkt, Johannes van der Waeyen, dien hij te Middelburg


Met de weduwe, de 2de vrouw van Anslaer, Sara Corsellis, is van der Waeyen naderhand in
het huwelijk getreden. Verder mogen we tot de vrienden rekenen: Abraham Gulichius, van
wien in 1675 te Hanau verscheen Theologia prophetica,
Kan van steengoed met zilveren deksel
De drinkkan heeft een zilveren deksel van Arnhemse
makelij. Hierop is een tekst aangebracht ter
nagedachtenis van Hester Corsellis die in 1696
overleed. Zij was de weduwe van dominee Casparus
Alardin die in 1688 uit Wezel in Arnhem tot predikant
werd benoemd. Hij is bekend geworden door zijn
publicatie ‘Vergeestelijkt en Hemels thee-gebruyk ofte
beknopte overbrenging van de thee, gestelyk op
Christus Jesus toegepast, tot demping van wereltse en
ydele discoursen onder het theedrinken’, waarin hij de
genoegens van het theedrinken vergelijkt met de
louteringen die men uit de christelijke religie kan putten.
Alardin stond dan ook niet bekend om dronkenschap,
diefstal of zedeloosheid waarin menig Gelders predikant
zich schuldig maakte in die tijd.

soort        kan (vaatwerk), edele metalen, steengoed
vervaardiger        onbekend, onbekend
locatie        Westerwald, Arnhem
datering        1696
materiaal        zilver, steengoed, tinglazuur
techniek        graveren (inkerven), snijden
afmetingen        hoogte 20,5 cm
lengte 15 cm
diameter 11,5 cm
nummer        GM 13937
collectie        Zilver (1600-1900), Keramiek (1600-1900)
instelling        Museum Arnhem