Bewoners en bedrijven voor zover bekend.   index
Nr. 9 gebouwd in 1780
Nr. 11  1803 werd besloten door Willem Philip
Barnaart oude huis af te breken en opnieuw te
bouwen. Koetshuis met stalling en koetsiershuis
allen uitkiomend op de Ridderstraat bleef
behouden. Van voor 1786.
Willem Philips Kops
1755-1805
x
1781
Cornelia de Wolff
1763-1820

dochters
Catharina Kops
1782-1803
Cornelia Kops
1783-1840
Anna Johanna Kops
1785-1825
Margaretha Cornelia Kops
1788-1825
In augustus 2016 heb ik het pand aan de Nieuwe Gracht 9 te Haarlem
bouwhistorisch onderzocht. Het pand uit ongeveer 1780 heeft een
mooie hal in Lodewijk XIV stijl. De rest van het interieur is geheel
modern afgewerkt. Alleen in het souterrain kwamen achter een aantal
voorzetwanden nog wat leuke verassingen tevoorschijn, zoals een
grote kookschouw en wanden met witjes.

Eva Osinga-Dubbelboer
bouwhistoricus
en architect
Nr 9 zeker vanaf 01 01 1859 van Styrum mr.F.W. baron
van) pres. arr. regtbank
26 november 1929 overleed Jhr. F. W. v. Styrum, 74 j.
1932 publieke verkoping
Ontwerper was de heer P. Kleiweg
Dyserinck, de bouw geschiedde onder
leiding van de heer H. J. Geyl, die aan
het hoofd stond van de in die tijd in
Haarlem bekende aannemersfirma
Martens en zoon. Voor het ontwerpen
van de gevels heeft de heer A. J. C.
van Gemund zijn medewerking
verleend. (panden 3-5)
Zie zelfde soort bord op gevel van de
bank. (Bij onasfhankelijksfeesten 1913
Kruisstraat)
Jaarverslagen en jaarboeken
Vereniging Haerlem 01 01 1964
Samenvatting

Noordzijde eerste Nieuwe gracht
wijk 6- 308  nr 78
Joost Hoofman kocht o.a. drie erven
aan de nieuwe gracht in 1672.
onbebouwd gebleven tot in de jaren
90, toen een  pakhuis tuin en
omheining in 1701 openbare
verkoping. Gekocht samen met "De
zon" en "De zeven sterren", twee
huizen tussen de twee kruisbruggen.
1732 erven aan Nieuwe gracht
opnieuw verkocht. 1/3 de deel aan
mevr.de wed. Jan Dingeman en 2/3
aan vrouwe Anna Maria Muilman,
weduwe van mr. Gualtherus de Raet.
Zij laat het pakhuis afbreken en  huis
met stal achter bouwen, gereed in
1734. Dit is het huidige nr 78.
Mevr. Dingeman bouwt rond dezelfde
tijd haar huis.
Beide percelen werden door een gang
met poort gescheiden.
1754 is de nieuwe bewoner mr. Arent
de Raet, neef van anna Maria
Muilman. Hijn koopt ook het
belendende pand van mevr. de wed.
Dingeman.  Na zijn dood in 1771 wordt
het huis in 1772 verkocht aan mr.
Francois Benjamin Fagel.
Naaste buur is Willem Kops. Willem
Kops was zeer bevriend met Pieter
Langendijk.
Mr.Francois Benjamin Fagel overleed
in 1784. Het huis werd weer verkocht.
Na alle burgemeesters kwam er nu een
Amsterdamse kapitein in de vaart op
Suriname en eigenaar van een
rederskantoor. Na vier jaar verkoopt hij
het door aan Adriaan Boesses. Hij was
weer een burgemeester en vurige
Oranjeklant en moest daarom de stad
in 1800 als ambteloos burger verlaten.
Het huis wordt verkocht aan ene
Gijsbert Vermeulen. Het huis bleek
hem te groot en in 1807 kon hij het
verkopen aan mr. Jan baron van
Styrum. Hij was een van tien kinderen
van mr. Jan van Styrum en Anna Maria
Visscher uit Zutphen.
Hij was getrouwd met vrouwe Joanna
Anna van Vollenhoven. Na de dood
van haar man in 1824 woont ze nog 22
jaar in het huis.
In 1851 wordt het "dubbeld huis en
erve met tuin, staande en gelegen aan
de Nieuwe Gracht , daarachter een
fraai aangelegde tuin en koetshuis en
stalling voor zes paarden " verkocht
aan Adolph Stanislaus Schultze. Deze
is slechts eigenaar en geen bewoner.
Hij verhuurt het huis. Uiteindelijk wordt
het in 1858 verkocht aan het bisdom.
Willem Kops
1724-1776
x
1752
Catharina van Vollenhoven
1728-1790
dochter
Johanna Kops
1753-1792 (arnhem)
Zoon
Willem Philips Kops
1755-1805
Willem van den Hull
wijk 6 no 305 1814-1820


1859-
Jhr. Mr. A.V. Teding van Berkhout
directeur der Haarl. Brandverz.
Maatschappij
wijk 6- 306  1862
Jonkvr. A. J. M. Teding van Berkhout
nr 88 in 1878
Willem Philips Kops
1695-1756
x
1720
Johanna de Vos
1702-1758

Willem Kops
1724-1776
Catharina Kops
1726-1792
Philip Kops
1731-1791
x Hester Barnaart 1729-1761
x 1762 Josina ten Cate
Philip Kops erfde Grote Houtstraat wijk 4
- 84
Catharina Kops
1726-1792
x
1747
Willem Barnaart
1726-1779

zoon
Willem Philips Barnaart
1755-1781
Willem Philips Barnaart
1755-1781
x
1780
Cornelia Reessen
1762-1836

zoon Willem Philips Jonkheer Barnaart
1781-1851
Catharina Kops
1782-1803
x
1800
Abraham Jacob Jonkheer van Lennep
1778-1841
Willem Philips Jonkheer Barnaart
1781-1851
x (1)
1804
Elisabeth Cornelia Hillegonda Teding
van Berkhout
1783-1814
kinderen
Willem Philip Barnaart
1806-1848
Elisabeth Cornelia Amalia Barnaart
1809-1890

x (2)
1815
Maria Cornelia Suzanne Teding van
Berkhout
1793-1863
zoon
Volkert Justus Iman Jonkheer Barnaart
1828-1878
Elisabeth Cornelia Amalia Barnaart
1809-1890
x
1830
Hendrik Samuel van Wickevoort Crommelin
1804-1874

1831-1834  Willem Philips van Wickevoort Crommelin
1833-1887  Aarnoud van Wickevoort Crommelin
1835-1934  Henriëtte Elisabeth van Wickevoort Crommelin
1836-1839  Hendrik Adolf van Wickevoort Crommelin
1838-1910  Maurits Willem van Wickevoort Crommelin
1843-1920  Wilhelmina Adolfine van Wickevoort Crommelin
1850-1938  Iman van Wickevoort Crommelin
Haarlemse ontvangstkamer 1794 |
Hart, Abraham van der

Haarlemse ontvangstkamer 1794


Deze kamer werd gebouwd en
ingericht voor de koopman en
kunstverzamelaar Willem Philip Kops,
als uitbreiding van zijn huis aan de
Nieuwe Gracht 74 in Haarlem. De
kamer is nog geheel intact, alleen het
oorspronkelijke stucplafond is verloren
gegaan. Abraham van der Hart, de
stadsarchitect van Amsterdam, maakte
er een volledig classicistisch interieur
van, waarin alle onderdelen op elkaar
zijn afgestemd. Daarbij moet hij hulp
hebben gehad van een
gespecialiseerd behangersbedrijf dat
de goederen bestelde en de inrichting
coördineerde. De schoorsteenmantel
komt vermoedelijk uit Italië, het
vloerkleed uit de Vlaamse stad
Doornik, het ameublement uit
Amsterdam, de zijden bespanningen
en bekledingen uit het Franse Lyon,
en de glazen kroon en kandelabers uit
Engeland. De kamer werd vermoedelijk
alleen gebruikt bij grote
avondontvangsten.

Gemaakt voor Willem Philip Kops voor
diens huis aan de Nieuwe Gracht te
Haarlem; veiling Frederik Muller & Co.,
1906-04-23; verworven door de heer
Van den Broek d'Obrenan en
geplaatst in het huis Bezuidenhout 62
(Den Haag).  

Het gehele interieur - met onder
andere wanddecoraties, stoffen
behangels, gordijnen, vloerkleden en
meubilair - is overgebracht naar het
Rijksmuseum in Amsterdam.  
Jonkheer Willem Philip Barnaart (1806-1848) en echtgenote
Helena Christina Georgetta Barnaart née Bekkers
(1812-1869). Hij was een zoon van de bouwheer en beide
portretten hangen in de dagelijkse eetkamer.
Doorkijkje vanuit de Marmerzaal met
imitatiemarmer van gepolijst stucwerk
naar de Gouden Zaal.
Egbert de Vos, wonende in de
Kruisstraat, op den hoek van de
Nieuwe Gracht, was in 1751 als
weduwnar van Maria Albrecht
hertrouwt met Dirkje van Lee. Hij was
geboren in 1708, overleed in 1781 en
werd begraven in de Janskerk.
Romeyn de Hooghe, Lingen, Het Loo en Haarlem
B.C. Sliggers

De tekenschool
Dat was waarschijnlijk ook de reden dat Romeyn de Hooghe al in 1696 een nieuwe bestemming aan het bolwerk met
zijn steenwerf in Haarlem gaf. In dat jaar kreeg hij van het stadsbestuur toestemming zijn tekenschool van de Nieuwe
Gracht naar het Spaarne over te plaatsen.
In 1688 had de Hooghe zich voor de eerste maal tot het Haarlemse stadsbestuur gewend met het verzoek om een
tekenschool te mogen oprichten.7. Hoewel gedurende de gehele 17de eeuw
dergelijke tekenacademies in Holland waren ontstaan, was het plan van Romeyn de Hooghe een opmerkelijk initiatief.
Meestal hadden enkele kunstenaars en amateurs zich verenigd om zich gezamenlijk te oefenen in het tekenen naar
naakt model, waarvan het artistiek belang hoog werd aangeslagen. Waren dit grotendeels individuele akties van
enkele ontwikkelde schilders, later ontstonden deze academies meer uit collectieve initiatieven, zoals het Haagse
Pictura in 1686, gevolgd door het Utrechtse Schilderscollege in 1696. Er was toen min of meer sprake van een
splitsing tussen handwerkslieden en kunstenaars, die voorheen beiden in gildeverband verenigd waren. Opmerkelijk
is dat Romeyn de Hooghe in zijn verzoek spreekt over tekenonderwijs aan particulieren en kinderen uit godshuizen,
met een accent op het ambachtelijke onderwijs, zoals patroontekenen. ‘Besonderlyk, wyl geen andere steeden, die
soorten van Teekeningen, so seer als dese stad, tot het wel syn van haere fabriquen van node hebben.’ Het
hoofddoel was om de ‘koesten die hier gevonden, gequeekt, groot en ruchtbaar geworden, maer nu, als begraven
syn tot merklyk nadeel, so wel van de Glorye, als 't welvaren deser steede’, nieuw leven in te blazen. Kennelijk een
geheel ander oogmerk dan de beweegredenen die elders tot de oprichting van tekenacademies hebben geleid.

Het voorstel van De Hooghe was om zich met twee andere leermeesters van verschillende disciplines te associëren.
Een ieder zou één avond van vijf tot acht uur lesgeven, maandag, woensdag en zaterdag. De ene avond zou
onderwijs worden gegeven in het ontwerp- en patroontekenen, de andere in het beeldhouwen, boetseren en drijven,
en de volgende in het schilderen en tekenen. Eens per maand zou het werk van de leerlingen worden bediscussieerd,
terwijl vorderingen schriftelijk zouden worden vastgelegd ‘tot profyt der Leerende’. Het onderwijs was gratis voor
kinderen uit de godshuizen en van behoeftige ouders. Jaarlijks zouden zij die de beste resultaten hadden geboekt iets
voor het stadsbestuur ondernemen.

Voor dit alles had De Hooghe een goede werkplaats nodig, tevens geschikt voor het houwen van grote beelden of het
schilderen van grote doeken. Daarbij hoorde een grote tuin om parterres te leren ontwerpen, bloemen na te tekenen,
evenals bomen en lanen. In zo'n tuin kon men ook kennis maken met de beste antieke beelden, zoals die van Venus
en Apollo. Zelf had hij gedacht aan drie erven aan de Nieuwe Gracht in de net voltooide Nieuwe Uitleg. De grond werd
hem door het stadsbestuur tegen een sterk gereduceerde prijs aangeboden, terwijl hem bij de voltooiing van de bouw
nog een gratificatie in het vooruitzicht werd gesteld.

In 1690 kwam zijn monumentale woonhuis aan de gracht gereed, terwijl aan de achterzijde, grenzend aan de
Ridderstraat, in 1692 het voor de academie bestemde gebouw voltooid werd.

Alleen uit het verplaatsen van de tekenschool naar zijn steenwerf in 1696 blijkt dat deze onderneming van De Hooghe
inderdaad gefunctioneerd heeft. In de archieven van de weeshuizen is overigens nergens sprake van kinderen die bij
De Hooghe c.s. gratis les mochten volgen. Was ook dit initiatief van Romeyn de Hooghe maar een zeer kort leven
beschoren?
Van verschillende spotprenten is niet duidelijk of ze door Romeyn de Hooghe zijn
gemaakt. Op stilistische gronden lijkt dit vaak aannemelijk, doch een schriftelijk
bewijs was er meestal niet te vinden.

Over Mardi Gras de Cocq à L'Ane en De Fabel van de koeyen, de herder, en de
wolf bevindt zich in ditzelfde dossier een attestatie van Claas van Hoeck, waarin
hij verklaart dat beide spotprenten het werk zijn van Romeyn de Hooghe. Vooral
met Mardi Gras de Cocq à L'Ane2 had De Hooghe zich de woede van enkele
Amsterdamse notabelen op de hals gehaald. Dit blijkt onder meer uit een brief
van de Amsterdamse schepen Cornelis Cloeck, die De Hooghe karakteriseerde
als een ‘stucke schelms sonder weerga, een Godslasteraar die de bijwooninge
der menschen niet waardig, nog in een sociëteit te dulden is; en om wiens wille
God een heel land soude straffen.’ In diezelfde brief spreekt hij ook zijn
verontwaardiging uit over de wijze waarop de stad Amsterdam door Romeyn de
Hooghe wordt weergegeven: ‘Mijn Heere kan der ijets Calumnieuser en
sanglanter tot nadeel van de stad van Amst, en uwe gr: A: persoonen
geinventeert werden als die vervloeckte print in welke een Cos: Amst: werd
gerepresenteerd van voren de privilegien defenderende en met de andere hand
van afteren, van Louis [Lodewijk XIV], Goude Louisen ontfangende...’
Hieronder volgt de reeds gememoreerde tekst van Claas van Hoeck.



Op heden de 24ste April 1690 compareerde voor mij Joannes Paarslaken bij het
Hof van Holland, op nominatie van de achtbare magistraat der stad Amsterdam,
geadmiteerd openbaar notaris binnen dezelfde stad residerende en de
nabeschreven getuigen Claas van Hoeck, oud 33 jaar kunstdrukker wonende op
de Groenmarkt te Haarlem, broer van Apolonia van Hoeck, huisvrouw van
Joannes Tangena, kunstverkoper te Leiden ende verklaard te deposeren hoe
waar en waarachtig is dat hem getuige in de maand februari jongstleden zonder
de precieze dag onthouden te hebben, door Romeyn de Hooghe mede tot
Haarlem woonachtig tot zijnen huize gepresenteerd is geworden de plaat van de
‘zeven koeien’ genaamd ‘de fabel van de koeien, de honden en de wolf zeggende
de genoemde Romeyn de Hooghe tegen hem getuige: nu is er geld voor u te
winnen wat bruid het ons waarmee wij ons geld verdienen; de Amsterdammers
spelen zo veel de baas en rebelleren tegen de Koning. Het is beter voor een
koning te wezen als voor een Stad. Gij moet altijd speculeren dat gij tegen geen
koning of prins waaronder gij gezeten bent rebelleert en verzocht de genoemde
Romeyn de Hooghe hem getuige, of hij een letterdrukker wilde opzoeken omdat hij
bezig was om het vers te maken dat onder de genoemde plaat van ‘de zeven
koeien’ zou komen. En vroeg hij De Hooghe aan hem ge-
tuige of hij ook een lijst had van de regering van Amsterdam zo niet of zijn zuster
ook een lijst had dezer voegende, de genoemde Romeyn de Hooghe daarbij al
was 't maar een oude zo kan ze mij echter dienen en is de plaat van de genoemde
zeven koeien door hem Romeyn de Hooghe met een Assendelft die voor een
ander schipper op Leiden de plaats waarnam naar Leiden gezonden. Voorts
verklaard hij getuige dat hem op de negentiende de verleden maand door zijn
genoemde zuster van Leiden is toegezonden de plaat genaamd ‘Mardi Gras, de
Coque à L'Ane’ of Franse kalender en een stuk schoon koper met verzoek dat hij
getuige deze plaat en stuk schoon koper gelieve te overhandigen aan de
genoemde Romeyn de Hooghe.

Waar op hij getuige zich vervoegde ten huize van deze Romeyn de Hooghe zijnde
in de St Janstraat te Haarlem en hem noch zijn huisvrouw niet thuis vindende,
heeft hij getuige de genoemde plaat en stuk schoon koper overhandigd aan de
dienstmaagd daar ten huize waarop deze dienstmaagd de gemelde plaat en stuk
schoon koper overnemende vroeg aan hem getuige ‘is dat de plaat van Leyden?’,
waarop hij getuige antwoordde ja gevende voor redenen van wetenschappen dat
hetgene genoemde tussen hem getuige Romeyn de Hooghe en deze dienstmaagd
zo is gepasseerd hetwelk hij presenteerd des noods ende verzocht zijnd zulks
nader te staven.

Aldus passeerde binnen Amsterdam ten presentie van Cornelis Heusen
Paarslaken ende Joannes Castrop als getuigen.

Ita attestor rogatus [= zo verklaar ik desgevraagd]
Paarslaken
not.publicus

Wij Burgemeesters en regeerders van de stad Amsterdam doen kond aan ieder
die het hoord certificeerende voor waarheid dat voor ons gecompareerd is Claas
van Hoeck, oud 33 jaren, kunstdrukker wonend op de Groenmarkt te Haarlem
broer van Apolonia van Hoeck huisvrouw van Joannes Tangena kunstverkoper te
Leiden ende heeft met solemnele eed verklaard en geaffirmeerd de inhoud van de
voorenstaande affirmatie hem door de ondergetekende secretaris voorgelezen,
waarheid te zijn en daarbij te persisteren zo waarlijk moet hem affirmant God
almachtig helpen deze oorkonde dezer stad zegel terzake hieronder gedrukt de
24ste april 1690.
Van de Haar heeft vastgesteld dat de pamflettenstrijd begon vanuit een politiek meningsverschil over Willem iii, koning
van Engeland en Stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.2. Veel regenten in de Republiek,
en vooral in Amsterdam, vreesden dat Willem iii, als bevelhebber van het Engels-Nederlandse leger binnen een
coalitie van Europese staten die op dat moment oorlog voerden met Frankrijk, zijn macht in de Nederlanden
aanzienlijk zou vergroten ten koste van hun eigen macht. Jonathan Israel heeft in zijn recente en uitvoerige
geschiedenis van de Republiek beschreven hoe de gespannen verhouding tussen de Stadhouder en de regenten in
de winter van 1689-1690 escaleerde.3. In december 1689 probeerde de Amsterdamse vroedschap, een van oudsher
anti-orangistisch gezelschap, Willems vertegenwoordiger Bentinck buiten de keuze van de zeven schepenen van de
stad te houden, onder het voorwendsel dat de stadhouder nu in Engeland verbleef. Dat was tegen de traditie in, maar
de regenten vonden dat - onder deze omstandigheden - de Staten en niet Bentinck die keuze moesten maken. Dit feit,
de daarop volgende resolutie ten gunste van de Stadhouder in februari 1690, én de bezorgdheid over de politieke
omstandigheden en de oorlog met Frankrijk, vormden de inzet van intensieve propaganda-acties in de vorm van
pamfletten en politieke prenten.

Het is bekend dat Romeyn de Hooghe hierin een hoofdrol speelde. Lang voor deze controverse had diens politieke
stellingname reeds de woede van de Amsterdamse regenten gewekt. Hij was al in 1677 voor de schepenbank van de
stad gedaagd om zich te verantwoorden voor wat zeer waarschijnlijk een politiek geïnspireerde beschuldiging was: hij
had prenten gemaakt*
om een pornografisch boek te illustreren, de Nederlandse vertaling van Puttana errante, dat in die tijd werd
toegeschreven aan Pietro Aretino.4. De voortdurende beschuldigingen aan De Hooghes adres droegen zonder twijfel
bij tot diens beslissing begin 1687 naar Haarlem te verhuizen. Daar kon hij, op veilige afstand en beschermd door
verschillende leden van de machtige elite van die stad, doorgaan met het kritiseren van de Amsterdamse regenten.5.
De wederzijdse afkeer van De Hooghe en zijn tegenstanders in Amsterdam, werd intenser na 1687 en bereikte zijn
hoogtepunt in de jaren 1689-1690.6. De actieve rol van de etser als producent van orangistische en anti-
Amsterdamse propaganda en vooral zijn retorische strategie om de Amsterdamse regenten en de Fransen te hekelen
door een heimelijke verstandhouding tussen hen te insinueren, verergerde de langdurige vijandschap. Woest waren
de Amsterdamse regenten over De Hooghe's prent ‘Mardi Gras de Cocq, a l'Ane’, waarop hij hen er openlijk van
beschuldigt met de Fransen te heulen.

Van de Haar stelt in zijn artikel vast dat het pro-Regenten pamflet Amsterdam alleen in 'tspits voor de vrijheid
gerekend kan worden tot de vroegste salvo's in de pamflettenoorlog van 1689-1690.7. 8. 9. Dit in dichtvorm
gepubliceerde pamflet verwoordt hartstochtelijk en welsprekend de overtuigingen van de regenten en waarschuwt
tezelfdertijd de burgers tegen de dictatoriale neigingen van Willem iii. De auteur van het gedicht maakt ook een
toespeling op Willem de Derdes fervente verdediger Romeyn de Hooghe, als ‘een godvergeten schelm’. Amsterdam
alleen in 'tspits voor de vrijheid leidde tot verschillende pamfletten, uit beide kampen. Deze pamfletten verhelderden
de politieke standpunten, terwijl ze tegelijkertijd mogelijkheden boden zowel meer als minder subtiele beschimpingen
te uiten tegen enerzijds De Hooghe en anderzijds de kampioen van de Regenten en de veronderstelde auteur van de
pamfletten uit hun kamp, de advocaat Nicolaes Muys van Holy. De Hooghe schreef bijvoorbeeld het Postwagenpraatje
tussen een Hagenaer, Amsterdammer Beneficiant, schipper en Frans koopman, waarin hij de leidende katholieke
burgers van Amsterdam ervan beschuldigt tegen Willem iii samen te spannen en daardoor de oorlog met Frankrijk te
veroorzaken. De suggestie is natuurlijk dat deze Nederlandse katholieken met koning Lodewijk xiv samenwerkten. Het
‘katholieke bewijs’ diende, hoewel Van de Haar zich dit niet gerealiseerd heeft, waarschijnlijk het bijkomende doel
Muys van Holy aan te klagen (en woedend te maken), want er bestaat indirect bewijs dat hij praktizerend katholiek
was. Deze mogelijk tweeledige strategie was duidelijk uiterst effectief want in het drietal tegen-pamfletten dat op het
Postwagenpraatje volgde, kregen de beschuldigingen een buitengewoon kwaadaardig persoonlijk karakter.10. De
Hooghe werd vervolgens ‘gekroond’ tot Archicornutus ab alto (wat in het Nederlands vrij vertaald kan worden als ‘de
archetypische hoorndrager’) en onder andere beschuldigd van diefstal, atheïsme, het aanzetten van zijn vrouw tot het
plegen van ontuchtige handelingen en, het meest shockerend, incest met zijn dochter. Als antwoord op deze aanval
publiceerden De Hooghe en een van zijn medestanders een pamflet dat de Amsterdamse groep in het algemeen en
Muys van Holy in het bijzonder bestreed.11. Hierin beweren zij dat de Amsterdamse regenten corrupt en overspelig
zijn. Daarenboven wordt Muys van Holy omschreven als Archicornutus actionistis, wat in het Nederlands vrij vertaald
kan worden als ‘hoofd van de gewetenloze hoorndragersadvocaten’. Deze bijnaam vormt zowel een grappige
verwijzing naar Muys van Holy's typering van De Hooghe als ‘archetypische hoorndrager’ als een intelligente verwijzing
naar Muys' beroep van advocaat.12. Het pamflet vervolgt met het hekelen van Muys van Holy als een atheïst en een
schelm, en onbetwistbaar een marionet van de ‘Remonstrantse’ regenten wier gunsten hij wanhopig probeerde te
winnen als boetedoening voor zijn zonden in het verleden. Van de Haar beschrijft in zijn artikel hoe diep de
Amsterdamse stadsregering was gekrenkt door dit pamflet en wraak wilde nemen door de drost van Haarlem, Adriaan
Backer, over te halen om formeel gerechtelijke stappen tegen De Hooghe te ondernemen. Backer verzamelde
belastend materiaal met de hulp van de drost van Amsterdam, Jacob Boreel, die een reeks ‘getuigen’ bijeenbracht die
eind april en begin mei 1690 verklaringen aflegden voor Michiel Bocx, een Amsterdamse notaris en vertrouweling van
Muys van Holy.13. Deze getuigenissen leverden overvloedig bewijs van De Hooghes losbandige karakter: van de
vervaardiging van obscene etsen tot de stilzwijgende toestemming die hij verleende aan de seksuele verhoudingen
van zijn vrouw met Portugese joden.14.
14.
Voor een zeventiende-eeuws publiek
waren beschuldigingen van seksueel
contact tussen christenen en joden
buitengewoon ernstig, aangezien zulk
contact expliciet bij wet was verboden;
zie: Lotte van de Pol, Het Amsterdams
hoerdom. Prostitutie in de zeventiende
en achttiende eeuw, diss., Amsterdam
1996, p. 125.
6.
Toen De Hooghe, zoals Van de Haar,
op. cit. (noot 1), p. 158, vaststelt, in
1687 lidmaat wilde worden van de
Hervormde kerk in Haarlem,
ondersteunde de Amsterdamse
kerkeraad zijn aanvraag niet, zich
daarbij beroepend op verschillende
geruchten over zijn liederlijke gedrag.
Een uitgebreide biografische studie
over De Hooghe verschaft M.J.C. van
Otten, ‘Biografie van Romeyn de
Hooghe’, De Boekenwereld 5
(1988/1989), p. 21-33.
C
Over de achtergronden van de
contacten van Romeyn de Hooghe met
de Portugese Joden in Amsterdam is
niets bekend. Wel werden ze hem later
verweten. In de jaren 1689 en 1690,
toen De Hooghe een pamflettenstrijd
voerde tegen de Amsterdamse
advocaat Nicolaas Muys van Holy,
legden verscheidene personen allerlei
voor Romeyn de Hooghe belastende
verklaringen af. Ook zijn vrouw, Maria
Lansman, werd hierin betrokken. Zij
werd ervan beschuldigd een ontuchtig
en bandeloos leven te leiden en te
verkeren met Portugese Joden.
B
Uit het begin van Romeyn de Hooghes
loopbaan als kunstenaar dateert een
grote tekening van een joodse
besnijdenis . De tekening is
gesigneerd ‘Romanus de Hooghe
pinxit 1668’. Wie de opdrachtgever
voor de tekening was, is niet bekend.
In zijn artikel over deze tekening
suggereert Wilson dat de
opdrachtgever de familie Da Costa
was, omdat De Hooghe diverse
contacten met de Da Costa's moet
hebben gehad.
E
Nadat Romeyn de Hooghe en Maria
Lansman op 28 april 1673 voor notaris
A. Loeck de huwelijkse voorwaarden
hadden vastgelegd, traden zij op 1 mei
1673 in het huwelijk. In de acte van de
huwelijkse voorwaarden zijn onder
andere de ‘kunsttekeningen, plaeten
en wat dat daertoe behoort’ van
Romeyn de Hooghe vermeld. De acte
werd, behalve door het aanstaand
bruidspaar, mede ondertekend door
de moeder van de bruid ‘Anna Mitz,
weduwe van Andreas Lansman in zijn
leven Predikant des Goddelijcke
Woorts’ en de broer van de bruid,
Jacob Lansman.
A
Biografie van Romeyn de Hooghe
Jeanine Otten

Romeyn de Hooghe (afb. 1) is op 10
september 1645 in de Zuiderkerk te
Amsterdam gedoopt als zoon van
Romeyn de Hooghe, knoopmaker, en
Susanna Gerarts.1.

Het is niet bekend wie Romeyn de
Hooghes leermeester was. Op zestien-
of zeventienjarige leeftijd maakte hij al
etsjes naar Nicolaes Berchem; één is
gesigneerd en gedateerd ‘Hooghe
1662’.
D
Eén jaar later, in 1678, beval Samuel
van Hoogstraten Romeyn de Hooghe
aan bij al diegenen die etsen wilden
leren:

‘Wie lust tot de kunst van het etsen
heeft, moet A. Bosse's verhandeling
lezen of bij de aldergeestigsten
Romeyn de Hooghe ter schoole gaan’.
Na zijn verblijf in Parijs was Romeyn de
Hooghe in 1670 weer in Amsterdam en
noemde hij zich ‘etser’.
F
Een werk dat pas in 1735, na zijn
dood, uitgegeven werd is
Hieroglyphica of Merkbeelden der
oude Volkeren. In 63 hoofdstukken,
voorafgegaan door evenzoveel
prenten, wordt de ‘voortkruypende
verbastering der godsdiensten door
verscheydene eeuwen’ tot aan de
Reformatie beschreven. Met het boek
beoogde De Hooghe een hulpmiddel
te geven voor de schilders,
plaatsnijders of beeldhouwers van
‘geringe ouders, die niet kunnen
doordringen in de Gronden van de
Oudheid’. Om de oudheid te kennen is
volgens De Hooghe heel wat nodig:

‘Men moet om die van de Oudheyd te
kennen, Taalkundig zijn, leezing der
oude Schrijvers hebben, Penningen,
Boeken en Teekeningen bij een
zamelen, en dan daarvan doorvoed,
vindingrijk en vruchtbaar zijn van
verscheyden invallen en gedachten op
elk onderwerp.’

De kunstenaar moet dan in staat zijn
deze gedachten op een begrijpelijke
manier uit te beelden. De Hooghe
waarschuwt voor onbegrijpelijke
redevoeringen van deftige geleerden.
De kunstenaar mag zijn opgedane
kennis van de oudheid nooit zo
opdissen

‘Gelijk de Schoolredenaars, die om te
toonen, hoe groote Letterkennis zij
besitten, hoe zeer zij de Ouden
doorbladert hebben, eene zoo oude
deftigheyd in hare Redenvoering
mengen, dat ze heerlijke Tuyterijen
voor Dooven opsnijden, zonder eenige
voldoening aan 't rechte Oogwit,
het welk altijd is, en moet zijn, den
Toehoorder te doen weeten, 't geen
uwe gedachten zijn’.
G
In de literatuur over Romeyn de
Hooghe wordt vaak aangehaald dat hij
in 1675, waarschijnlijk door toedoen
van Franciscus Mollo, door Johannes
Sobieski, koning van Polen, in de
Poolse adelstand werd verheven. De
Hooghe had dit te danken aan zijn
prenten van de overwinning van de
Poolse koning op de Turken bij
Choczim en Tremblowla in november
1673 en aan de allegorische prent uit
1675 van alle wapenfeiten van
Sobieski.

In 1673 vervaardigde Romeyn de
Hooghe een grote kaart van Polen met
in het midden een portret van Sobieski.

Twee jaar later, in 1675, toen hij in de
Poolse adelstand was verheven,
verkreeg De Hooghe op 4 juni een
leengoed bij Borrendam op Schouwen
in Zeeland.42. Dit gegeven was nog
niet bekend in de literatuur over De
Hooge. De tienden voor het leen
verschuldigd moesten betaald worden
aan het Kapittel van St. Marie in
Utrecht. Romeyn de Hooghe mocht
zich nu ‘Leenman’ noemen en grond in
het leen verpachten aan boeren. In de
leenacte wordt met een paar woorden
verwezen naar de adelstand van De
Hooghe. Men noemt hem ‘honesto viro
Romano de Hoge sculptore Regio
Regis Poloniae’ (de edele Romeyn de
Hooghe, de koninklijke gra veur van de
koning van Polen).
H
Nadat De Hooghe zich begin 1687 in
Haarlem had gevestigd, ging hij zich
bezighouden met de rechtspraak. Zo
was hij in 1687 en 1688 Commissaris
van de Kleine Bank van Justitie in
Haarlem. Op 3 juni 1689 behaalde hij
de doctorsgraad in de
rechtsgeleerdheid aan de Universiteit
van Harderwijk en mocht hij zich
voortaan Meester Romeyn de Hooghe
noemen. In 1695 werd hij door de
Staten van Holland benoemd tot
Leenman van Kennemerland. Deze
functie heeft hij met onderbrekingen
vervuld tot 1703.

Als Leenman van Kennemerland hield
hij zich, samen met de baljuw en zes
andere leenmannen, bezig met de
hoge of criminele jurisdictie, d.w.z. de
rechterlijke macht in lijfstraffelijke
zaken, het vastleggen van vonnissen
en het maken van keuren.
J
De pamflettenstrijd van 1689-1690
In deze jaren kreeg Willem III te maken
met een sterk anti-oranjegezinde partij.
Hollandse regenten onder leiding van
Amsterdam hadden zich tijdens de
oorlog tegen Frankrijk (1672-1678)
verzet tegen Willems oorlogspolitiek.
Tijdens de Negenjarige Oorlog met
Frankrijk (1688-1697) kwam er
opnieuw verzet van een
regentenoppositie onder leiding van
Amsterdam. Romeyn de Hooghe, die
anti-Amsterdamse en anti-Franse
spotprenten op de markt bracht,52.
raakte in 1689 en 1690 betrokken in
een pamflettenstrijd met anti-
Prinsgezinde Amsterdammers en hun
woordvoerder Nicolaes Muys van Holy.
53. Amsterdam aanvaardde niet dat
Bentinck, benoemd tot lid van het
Engelse Hogerhuis, nog als
afgevaardigde van de Hollandse
Ridderschap zitting nam in de Staten-
Generaal. Bovendien vond de stad dat
niet Bentinck maar de Staten van
Holland bij afwezigheid van de
stadhouder de Amsterdamse
schepenen moesten kiezen.

De pamflettenstrijd speelde zich al snel
af op het persoonlijke vlak. Men
beschuldigde elkaar van het omkopen
van getuigen, het afleggen van valse
verklaringen, enz.. Romeyn de Hooghe
werd in de pamfletten afgeschilderd als
een godslasteraar, een dief, een
vervalser en maker van obscene
prenten.54. Hij zou incest gepleegd
hebben met zijn dochter. Er werden
ook getuigenissen afgelegd van de
ontuchtige levenswandel van zijn
vrouw, die vooral met Portugese joden
scheen te verkeren.55.

De Hooghe wist zich gesteund door
twee beschermelingen van Willem III,
Ericus Walten die in 1690 de
verdediging van De Hooghe op zich
nam met het pamflet ‘De Nijd- en
Twistzucht naar het Leeven
afgebeeld’, en Govert Bidloo, medicus
en anatoom, met wie De Hooghe in
1690 de triomfpoorten voor de intocht
van Willem III in Den Haag zou
verzorgen (zie bijdrage Snoep). In
augustus 1690 kwam er een einde aan
de pamflettenstrijd. De burgemeesters
van Haarlem verboden Romeyn de
Hooghe nog langer pamfletten te
schrijven en de Amsterdamse regering
zag af van een vervolging van Ericus
Walten.
I
In 1688 maakte Romeyn de Hooghe
divérse prenten van de aankomst van
Willem III in Engeland.
III in Engeland.46. Als beloning voor
bewezen diensten in de propaganda-
campagne bij de overtocht van Willem
III werd De Hooghe in 1689 vanuit
Hampton Court in Engeland door de
stadhouder-koning benoemd tot
‘directeur off Commissaris van Sijne
Maj.t. Miniralen tot Lingen’.47. In deze
functie moest hij in het graafschap
Zingen in Duitsland toezicht houden op
het zoeken naar geschikte steen voor
de bouw van Paleis het Loo (zie
bijdrage Sliggers).

In zijn woonplaats Haarlem beheerde
Romeyn de Hooghe op één van de
bolwerken van de stad een
opslagplaats voor steen uit Lingen.48.
Op deze steenwerf werden
waarschijnlijk ook stenen bewerkt tot
tuinbeelden voor Het Loo.

Uit de ordonnantieboeken van Willem
III blijkt dat Romeyn de Hooghe diverse
betalingen voor zijn diensten heeft
ontvangen.49.

Ook op een andere manier was
Romeyn de Hooghe Willem III van
dienst. Uit correspondentie50. blijkt dat
hij vanaf 1689 in nauw contact stond
met de stadhouder-koning en diens
naaste omgeving. Er zijn brieven van
hem bekend, gericht aan Willem III,
raadpensionaris Heinsius en aan
Willem Bentinck. De Hooghe was een
aantal jaren actief als politiek agent
voor Willem III. Zo bracht hij de
stadhouder-koning op de hoogte van
een plan van enkele Amsterdamse
regenten om de stadhouder af te
zetten. In 1692 en 1693 lichtte hij
Willem III en Bentinck in over
sabotageplannen van de Fransen. In
1692 schreef De Hooghe een brief aan
Bentinck waarin hij over de
onbruikbaarheid van een Franse spion
berichtte
L
Romeyn de Hooghe werd op 15 juni
1708 begraven in de St. Bavo te
Haarlem..
K
Romeyn de Hooghe heeft van
verschillende stadsbesturen in Holland
opdrachten gekregen. Zo maakte hij in
1688 de grote plattegrond van
Haarlem. In Alkmaar voerde hij in 1693
en 1694 een aantal schilderingen uit.
In 1693 maakte hij boven het orgel in
de St. Laurens- of Grote Kerk een
paneelschildering. Hiervoor ontving hij
261 gulden 4 stuiver, en voor eten en
drinken nog eens 166 gulden 5 stuiver.
M
Conclusie
In deze beknopte biografie van
Romeyn de Hooghe zijn niet alle
persoonlijke feiten uit het leven van De
Hooghe aan bod gekomen. Evenmin is
hier een volledig overzicht van zijn
omvangrijk oeuvre gegeven. Romeyn
de Hooghe was een zeer veelzijdig
kunstenaar, getuige zijn talloze historie-
, zinne- en spotprenten,
boekillustraties, kaarten en
plattegronden en zijn ontwerpen voor
kerkvensters, tuinbeelden, penningen
en wandbespanningen. Zijn publicaties
op historisch-politiek gebied en
pamfletten gericht tegen de anti-
Oranjegezinden tonen hem als
schrijver en politicus. Romeyn de
Hooghe stond in nauw contact met
Willem III en zijn omgeving. Als
Commissaris van Zijne Majesteits
Bergwerken te Lingen hielp hij mee
Paleis Het Loo te verfraaien, als
politiek agent bracht hij Willem III op de
hoogte van sabotageplannen van de
anti-Prinsgezinde partijen. Het
onderschrift op zijn portret (afb. 1)
verwijst naar de veelzijdigheid van
Romeyn de Hooghe: ‘J.U.D. (meester
in de rechten), Commissaris van Zijne
Majesteits Bergwerken in Lingen,
schilder, graveur, schrijver en dichter’.
Deze aspecten komen terug in de uil
op de boeken, het zegel en de fasces -
verwijzingen naar zijn schrijverschap
en rechterlijke macht - en de aap met
het schilderspalet, kwasten en
etsnaald, verwijzingen naar De Hooghe
als schilder en etser. De saters
houden zijn wapen met de drie rozen
die ook verwerkt zijn in de gevel van
zijn woonhuis aan de Heerengracht (nu
Nieuwe Gracht nr. 13) in Haarlem . Bij
dit woonhuis was ook zijn tekenschool
gevestigd (zie bijdrage Sliggers).

In de 18de en 19de eeuw werd
Romeyn de Hooghe negatief
gewaardeerd. Houbraken en
Weyerman kunnen nog wel waardering
opbrengen voor De Hooghe's schilder-
en etskunst - zij roemen zijn verstand,
vindingrijkheid, en vaardigheid in
ordineren - maar keuren zijn manier
van leven af. Houbraken noemt hem
een slechte knaap en een tweede
Aretijn en beschuldigt hem van het
verkopen van pornografische prenten
aan ‘de losse jeugt’.Volgens
Weyerman werd Romeyn de Hooghe
naarmate zijn leeftijd vorderde, steeds
goddelozer, en hij noemt hem een
wellustige Sardanapaal (Sardanapalus
was volgens de Griekse overlevering
de laatste koning van Assyrië die in
zwelgerij omkwam bij de val van
Nineve). Van Eynden en Van de
Willigen schrijven in tegenstelling
hiermee dat De Hooghe zelfs vaak de
houding van een ‘zedekundigen en
godvruchtigen Schrijver’ aanneemt,
maar dat hij volgens tijdgenoten
ongemakkelijk in de omgang kon zijn.
Voor zijn prenten kunnen ze minder
waardering opbrengen. De
weelderigheid van zijn vernuft
veroorzaakt volgens hen een
opeenhoping van beelden en de
vlugheid van zijn geest verhindert een
bedaarde uitvoering waardoor zijn
prenten in het alfgemeen ‘dikwerf een
onbevallig voorkomen hebben ten
aanzien van de bewerking’

Pas in de 20ste eeuw oordeelt men
weer positief over De Hooghe's
etskunst blijkens de publicaties van
Henkel en Veth over het werk van
Romeyn de Hooghe.
Geboren Amsterdam 1645
Overleden Haarlem 10 06 1708
Functie
Graveur, etser, mezzotintgraveur,
kunstschilder en decoratieschilder
(interieurs), tevens kunsthandelaar en
uitgever, werkzaam te Amsterdam
1663-1682, Den Haag 1683, Haarlem
1686-1708.
Gehuwd met
ondertrouw op 1673-05-01 Amsterdam
1673 Maria Lansman
Bij portret romeyn de
Hooghe
Jacob Houbraken
naar  Hendricus Bosch
1733 gedateerd
Maria Lansman
Born:        Edam circa 1650
Died:        Haarlem buried on
1718-11-11
Father:        Andreas Lansman (1625 -
1666)
Mother:        Anna Mitz (1628 - 1679)
Children:
Maria de Hooghe (1674 - ?)
[Hooghe, Romein de]
HOOGHE (Romein de), schilder en graveur, werd geboren te Amsterdam in 1645 of 46 en begraven te Haarlem 15 Juni 1708. Hij werkte te
Amsterdam en Haarlem, in 1662 was hij te Parijs, huwde te Amsterdam, waar hij in 1675 als kunstkooper wordt genoemd, wonende in de
Kalverstraat, op 1 Mei 1673 met Maria Lansman. In hetzelfde jaar werd hij door Joh. Sobieski in den poolschen adelstand verheven, in 1683 was hij
deelgenoot van de confrerie in den Haag, 1687 leefde hij weer in Haarlem. Als zijn leerling wordt genoemd Frans Decker te Haarlem. Verder weten
we nog, dat hij door Willem III, die hem zeer genegen was, werd benoemd tot commissaris en directeur van de bergwerken van het graafschap
Lingen; ook dat hij later allerlei onaangenaamheden met de magistraat van Haarlem en Amsterdam had, zooals het heette wegens het afbeelden
van onzedelijkheden, doch waarschijnlijk om politieke redenen, daar hij een heftig oranjegezinde was en daarom vooral in zijn laat-
ste jaren weinig bescherming kon vinden, vooral na den dood des Koning-Stadhouders. Een reeks geschriften tegen en voor hem waren er het
gevolg van (verscheidene bevinden zich o.a. in de Kon. Bibl. te 's Gravenhage en het Prentenkabinet te Amsterdam).


Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek
over Romein de Hooghe
J.M. Blok
04 08 2012 ilibriana
Mooi verhaal Hans! Ik lees net Anna
de Haas, ‘Wie de wereld bestiert, weet
ik niet’: Het rusteloze leven van
Cornelis van der Gon, dichter en
zeekapitein 1660-1731′, Amsterdam :
Balans, 2008. De dochter van Romeyn
de Hooge, Maria Romana, was
weggelopen met Cornelis van der Gon,
maar trouwde later met Gaspart
Henningh. Cornelis van der Gon
koesterde een levenslange rancune
tegen Romeyn de Hooghe.
Hartelijke groet van Jeanine Otten
buren nr 13
1690-1731 Romeijn de Hooghe en erfgeaam
1731-1735 Jan van Schuijlenburg burgemeester 1731-1733
1735-1768 mr. Willem Dierkens raad en oud schepen, bewindhebber OIC
1768 - 1780 Albertus Hodson Daarna jongste zoon
1839 Van Wickevoort Crommelin  ontvanger der belastingen
1849 mr F.G. Fontein wethouder ook 1859
1863-1885 mr. A.A. del Court van Krimpen officier van justitie ook 1859
1887 Inrichting voor verpleging van zenuwlijderessen
1897 kadaster. In 1915 nieuw kantoorgebouw in de tuin.
1973 Rijksgeologische dienst. Daarna enkele jaren leeg.
in 1692 academie klaar
Jaarverslagen en jaarboeken
Vereniging Haerlem 01 01 1964
Samenvatting

Buren wijk 6-309 nr 80
Woning weduwe Jan
Dingeman.Gekocht door mr.
Gualtherus de Raet. Beide percelen
gescheiden door poort met gang
waaronder ijskelder.
In 1772 verkocht aan Anna
Jongemaats. Na haar dood in 1796
verwierf haar neef Reinier Jongemaats
het huis.
In 1811 nieuwe eigenaar Joannes
Beth. Kort daarop werd het huis
gesloopt. Augustus 1816 verkoopt hij
het erf, waarop tevoren een dubbel
huis had gestaan, aan mr. Jan baron
van Styrum.
Adraan van de Willigen woonde sinds
twee maanden in het hoekhuis "de
Zon". Hij kreeg in september 1816
gedaan dat het erf, grensend aan zijn
perceel, aan hem werd verkocht,
onder voorwaarde dat de gang en de
poort in het bezit van mr. Jan baron
van Styrum bleef.
Na de dood van van der Willigen in
1841 erft zijn neef Adraan van der
Willigen  Pieterszn het huis. In 1850
koopt hij het naastgelegen pand aan
de Kruisstraat "De Regenboog". In
1851 koopt hij ook de gang met poort
van de erven van van Styrum. In 1864
gaat hij met z;n vrouw en vijf kinderen
op de Gedempte Oude Gracht wonen
en verkoopt de huizen en het erf aan
het bisdom.
In 1874 kreeg Dr. P.J.H. Cuypers de
opdracht op het open erf een gebouw
te ontwerpen, bestemd voor
bibliotheek en archief. In 1877 was het
minder luxueuze versie van zijn
ontwerp klaar. Het werd door mede
architecten niet erg gewaardeerd.

Pas in 1928 kwam er in de
bischoppelijke woning pas stromend
water, behalve op de logeerkamers,  
en werd de gasverlichting vervangen
door elektriciteit.
Straatbeeld verzonden uit Haarlem
sept 1917 door Jac .J. Son Nieuwe
Gracht 76 Haarlem.
De Kopsen en de Barnaarten, de twee rijkste
doopsgezinde families van Haarlem, kenden van
oudsher een redelijk hoog inteeltgehalte. Rond het
midden van de achttiende eeuw waren ze door
verscheidene draden met elkaar verweven. Van de
generatie van rond 1730 waren niet alleen Jacobus'
zus Hester Barnaart en Philip Kops met elkaar
getrouwd, ook was een zus van Philip, Catharina
Kops (1726-1792), getrouwd met willem barnaart
(1726-1779), een achterneef van Jacobus. En (om
bij de bladzijde met handtekeningen te blijven) na te
zijn beduimeld door Kops kwam elke aflevering van
de Vaderlandsche Letteroefeningen juist terecht bij
dit laatstgenoemde familielid. Handelscontracten in
Haarlems notariële archieven laten zien dat Willem
Barnaart zaken deed op wereldschaal, veelal samen
met zijn halfbroer Abraham.
Na Willem Barnaart ging de eerste aflevering over op
degene die steeds de laatste in de rij zou blijven,
pieter sannié (1705-1769). Met hem raken we uit de
sfeer van de doopsgezinde handelselite, en komen
we in zekere zin weer terug in de sfeer van
burgemeester Kuits. Sannié was ‘chirurgijn,
stadsvroedmeester en lector in de vroedkunde te
Haarlem’. Blijkens een veelheid aan overgebleven
verzoeken en contracten was hij in die
hoedanigheden bepaald gedreven. Hij behoorde
bovendien tot de vier allereerste leden -
waarschijnlijk zelfs tot de oprichters - van de
Hollandse Maatschappij der Wetenschappen. Hij
deed veel voor de natuurkundige verzameling van
die club. Sannié werd begraven op het
gereformeerde kerkhof.20. De drie namen die vanaf
april 1762 zijn toegevoegd (afb. 3-5) passen goed
tussen die van Kuits en Sannié; de eerste van deze
past bovendien naast die van Barnaart Jr.
Jacobus Barnaart hield de afleveringen van de
Vaderlandsche Letteroefeningen gemiddeld zo'n twee
weken vast, waarna ze verder gingen naar ‘P. Kops’.
Dit is philip kops (1731-1791) geweest, een zwager
van Jacobus Barnaart. Ook Kops zat in de
textielhandel. Bovendien trad hij op als regent van het
Haarlemse aalmoezeniers- en weeshuis, en dat was
weer een van de instellingen die door Teyler met een
jaarlijkse schenking zouden worden bedeeld. Zijn
familie speelde een rol in het Haarlemse literaire
leven en verleende onder meer steun aan sterdichter
Pieter Langendijk, die dan ook het huwelijk van Philip
Kops met Hester Barnaart (1729-1761) in 1755 heeft
bezongen. Langendijks dichterlijke nalatenschap werd
bezorgd door de doopsgezinde schrijver-
boekhandelaar Jan Bosch, ook weer de uitgever van
de huwelijksbundel van Kops en Barnaart. Over Jan
Bosch zal hierna nog iets worden gezegd.
Ts. Tijdschrift voor tijdschriftstudies. Jaargang 1999 (nrs 5-6)(1999)

Met wie las Pieter Teyler van der Hulst de Vaderlandsche
Letteroefeningen?
René Bosch
Opvallende, in de achttiende eeuw vooruitstrevende Haarlemmers waren
onder andere de verzamelaar van kunst en natuurkundige voorwerpen
Teyler van der Hulst, de arts en fysico-theoloog Engelman, de
sterrenkundige Barnaart, en de regent Van Schuylenburch van Moermont,
directeur van de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen.
Handtekeningen in recent opgedoken vroege afleveringen van de
Vaderlandsche Letteroefeningen tonen aan dat allen met elkaar te maken
hadden.



Vaderlandsche Letteroefeningen staat bekend als het belangrijkste
elitetijdschrift van de late achttiende eeuw. Het is onder verschillende,
nauw verwante titels verschenen tussen 1761 tot 1811; in 1814 begon een
nieuwe reeks, die zou worden voortgezet tot 1876.1. Afgaande op de
inhoud van het blad stelt G.J. Johannes dat de gebruikelijke typering van
‘geleerdentijdschrift’ niet voldoet en dat men beter kan spreken van een
‘algemeen-cultureel tijdschrift’.2. Vanaf het eerste begin heeft het blad
bestaan uit twee delen: een deel met morele, theologische,
natuurwetenschappelijke, geografische en historische essays en een deel
met recensies van overwegend nieuw uitgekomen Nederlandstalige
boeken. Gedurende de eerste jaren lijkt meer ruimte te zijn besteed aan
natuurwetenschappelijke en medische ontdekkingen dan later het geval
zou zijn, maar besprekingen van poëzie en zelfs van romans (in de
achttiende eeuw een gewantrouwd genre) hebben nooit ontbroken.3.
Omdat orthodoxe tijdgenoten de Vaderlandsche Letteroefeningen op
theologisch gebied te vrijzinnig vonden noemt Johannes het ook een
‘Verlichtingstijdschrift’
Brassinne schermschool en vanaf 1936 ook dansschool. Zeer
gerenommeerd. Raamsingel 30 sinds 1920. In november 1938 failliet
gegaan. 12 november 1938 openbare verkoping van woonhuis,
scherm-en danszalen. Op 24 december 1938 doorstart nieuwe gracht
76.16 januari 1943 werd het 20 jarig jubileum gevierd op de Nieuwe
Gracht en des avonds in Brinkmann. Later ook Zweedsche gymnastiek.
16 september 1955 werd de 68 -jarige schermmeester opgevolgd  
door de 25- jarige Van der Valk,
adresboeken Haarlem 01 09 1865
Mevr. de wed. A. A. Kok Nieuwegracht,
6-307
Koetshuis barnaart .Achter de in 1943
heringerichte tuin staat het koetshuis
(Ridderstraat 19-21) uit circa 1780 met
zuilenportiek en lantaarn (toegevoegd
1880).
1752 Pieter samuel crommelin nr 9 of
nr 5
Willem Philip Kops (1755-1805) met
zijn echtgenote Cornelia de Wolff
(1763-1820) bij hun tuinprieel op
Wildhoef juli 1790 Wybrand Hendriks
1237        Relaas van de dagvaarding van Josina Ackersloot, eerst weduwe van Willem van Schuylenburch, nu huisvrouw van de heer Crommelin, ten verzoeke van Petronella Johanna de
Quay Ludolphsdr ter zake van inventarisering van de nalatenschap van Adriaan van Schuylenburch
Omvang:        
1 stuk
Organisatie: Noord-Hollands Archief
laatste wijziging 20-03-2007

1238 Dictum van het Hof van Holland in een kwestie tussen Pieter Samuel Crommelin als gehuwd met Josina Akersloot, weduwe en erfgename van Willem van Schuylenburch ter ene en
Brigitta Catharina van Schuylenburch, huisvrouw van Steven Adriaan Graaf van Weideren, 1742

1239 Akte van acquit van Jan Jansz. van Wickevoort Crommelin voor zijn ooms en voogden Pieter Samuel Crommelin, mr. Dammas Guldewagen en mr. Nicolaas de Bye wegens het beheer
over zijn deel in de nalatenschap van zijn ouders Jan en Elisabeth Pannebakker, 1759

2.1.1.3.11.1.2.1. Stukken betreffende de eerste man en de schoonzuster Van Schuylenburch van Josma Akersloot
Toon details van deze beschrijving

1240 Brief van Brigitta Catharina van Schuylenburg aan haar broeder Willem, 1725

1241 Brief van mr. Adriaan van Schuylenburgh aan zijn dochter Brigitta Catharina, 1734

1242 Akte van authorisatie van het Hof van Holland voor Bregitta Catharina van Schuylenburgh om tijdens de absentie van haar man, Steven Adriaan van Weideren, haar goederen te mogen
administreren, 1735
De hofstede "Rhijnhart" onder Alfen (Zwammerdam)


verkocht hij in 1700 aan Mr. Hubert Rooseboom,
heer van ‘s-Grevelsrecht, president van den Hoogen
Raad en curator der Leidsche Universiteit.
Voor diens kleinzoon en mede-erfgenaam voor
een derde gedeelte, den onder curateele gestelden
Mr. Willem van Schuylenburch, legde Mr. Willem
Rooseboom 12 Juli 1725  den leeneed wegens
Rhijnhart
af, maar bij de 27 Juli 1730 plaats gehad hebbende
verdeeling van de nalatenschap van Mr. Hubert
Rooseboom voornoemd werd Rhijnhart toegescheiden
aan Mr. Willem’s zuster Brigitta Catharina van
Schuylenburch, gehuwd met Steven Adriaan van
Welderen. Deze werd daarmede beleend 5 December
1736, nadat Josina Akersloot, eerder weduwe en
universeele erfgename van Mr. Willem van
Schuylenburch, heer van ‘s-Grevelsrecht, krachtens
testament van 11 December 1731 en nu echt-
genoote van Pieter Samuel Crommelin, oud-schepen
van Haarlem, afstand had gedaan van de rechten,
welke zij op Rhijnhart zoude  hebben kunnen doen
gelden op grond van de beleening van 1725.
Brigitta Catharina van Schuylenburch overleed
24 September 175 5 na haren man Steven Adriaan
Graaf van Welderen een viertal kinderen te hebben
geschonken, het blijkt evenwel niet, dat een van
deze Rhijnhart heeft bezeten en vreemd genoeg
mocht ik er tot dusverre niet in slagen nauwkeurig
vast te stellen, wanneer deze oude bezitting is
verkaveld en dermate te niet gegaan, dat daaraan
geenerlei herinnering meer is bewaard.
W. A. BEELAERTS. 1916


Na het overlijden van mr. Hubert Rooseboom werd
Rhijnhart toebedeeld aan Brigitte Catharina van
Schuylenburch, getrouwd met Steven Adriaan van
Welderen.

De heer Steven Adriaan van Welderen was in 1732
eigenaar van de buitenplaats. Deze was 38 morgen,
50 roeden groot. De gebruiker was Egbert Belt. In
1756 komt Van Welderen nog als eigenaar voor,
doch in 1790 was het in bezit van de heer Leonard de
Thomeese. Deze bezat hier een huis en twee schuren.
Commissaris van de kleine bank van
justitie 1732
Mr. willem van Schuylenburch, Heere
van Schrevelsregt
Naam-register van de heeren van de
regeering der stad Haarlem
Willem van Schuylenburch
b.01 AUG 1704 's-Gravenhage,
Zuid-Holland, Netherlands
d.05 JUL 1733 Haarlem,
Noord-Holland, Netherlands
Parents and Siblings
(edit)
F.  Adriaan van Schuylenburch
1674 - 1741
M.  Brigitte Catharina Rooseboom
1675 - 1710
m. 09 MAR 1700

kinderen
Anthonetta van Schuylenburch
1702 - 1702
Willem van Schuylenburch
1704 - 1733
Huybert van Schuylenburch
1706 - 1730
Brigitte Catharina van Schuylenburch
1709 - 1755
Codex Batavus: waar in het algemeen kerk-, publyk en
burgerlyk recht ...

Eduard van Zurk - 1764
Schrevelsregt.
Ambagtsheerlykheid in Rhynl., meest in 't Meer
verdronken.
Dirck Vockens en zijn bastaardzoon droegen na enkele jaren
hun woning over aan Jan Dever. Daar vererfde het op Willem
Pietersz. Dever. De boerderij kwam later in het bezit van zijn
zoon Maarten Dever. In 1431 werd het overgedragen aan zijn
zoon Adriaan Dever, die het in 1455 overdroeg aan Dammas
Reynersz. Na vijf jaar deed Dammas de boerderij over aan
Jacob Coppier Henriksz. Het bleef tot 1639 in de familie.

Maria Coppier van Calslagen verkocht de boerderij in 1638
aan Dorothe Clara de Jonge. Deze trouwde in 1646 met
Maximilaan Booth, rentmeester van de Prins van Oranje in het
Princeland en liet de boerderij bij haar overlijden in 1653 na
aan haar zoon Johan Booth. De door hem tot hofstede en
heerlijkheid gepromoveerde woning verkocht hij in 1700 aan
mr. Hubert Rooseboom, heer van `s-Grevelsrecht, president
van de Hoge Raad en curator van de Leidse Universiteit.
Huize Duckenburg
wijk 34 - Lankforst

Huize Duckenburg, Huize Dukenburg,
tot landhuis verbouwde orangerie van
het landgoed De Duckenburg,
Lankforst 5101, 6538 LG  Nijmegen,
gemeentelijk monument.*

zie De Duckenburg, Dukenburg,
Lankforst, Orangeriepad

Eemnes
Verschillende bronnen maken melding
van Huize Duckenburg (vanaf 1776:
Eemlust) in Eemnes. Josina Jacoba
Akersloot (1700-1745), de weduwe
van Willem van Schuylenburch
(1704-1733), overleed op 2 september
1745 op Huize Duckenburg in Eemnes.
Haar eerste echtgenoot met wie zij in
1729 trouwde, was een zoon van
Adriaan van Schuylenburch
(1674-1741), heer van Duckenburg
(1707-1736).

Stratenlijst gemeente Nijmegen 2013