HET LAVET, WASTAFELMEUBEL EN WASTAFEL



Het lavet – het wastafelmeubel in de slaapkamer – veranderde aan het einde van de negentiende eeuw ook snel van vorm. Was het
in de achttiende en negentiende eeuw meer een kaptafel, met naast een kan en waskom ook de mogelijkheid om een pruik op te
hangen en haarborstels in op te bergen, zo werd het in de loop van de negentiende eeuw een meubel waarin een waskom was
verzonken en dat voorzien was van een waterreservoir, bij gebrek aan stromend water. Het reservoir diende dan ‘s ochtends te
worden gevuld met warm water en in het marmeren blad was een kom verzonken met een ingewikkeld kiep mechanisme.

Het gebruikte water kwam terecht in een emmer die aan het einde van de ochtend (door de dienstbode) werd geleegd. Het
wasritueel werd dan ‘s avonds weer herhaald.  Met de komst van stromend water in de woonhuizen konden deze meubels worden
aangesloten op de waterleiding en soms ook op het riool en verhuisde de wastafel van de slaapkamer naar de badkamer. Het
houten meubel werd verdrongen door andere ‘moderne’ materialen. De porseleinen kom onder een marmeren blad evolueerde naar
een rechthoekige bak van porselein met een opstaande rand tegen het opspattende water. Deze eerste wastafels steunden op een
gietijzeren frame gemaakt van het moderne materiaal gietijzer dat in allerlei grillige vormen kon worden gegoten.
https://www.affairedeau.com/nl/service/badkamergeschiedenis/
Rond 1900 zien we dat fabrikanten naast het aanbod van houten en gietijzeren meubels ook wastafels gaan aanbieden die
helemaal van het veel hygiënischere porselein of van vuurklei (aardewerk) zijn gemaakt. Deze meubels werden in serie
vervaardigd en de klant had keuze uit vele modellen: op zuil, op twee poten of op één poot, op een frame of hangend op beugels.
Voor scholen en kantines werden speciale geschakelde modellen vervaardigd en ook voor ziekenhuizen en sanatoria of kuur
instellingen boden de sanitair fabrikanten verschillende oplossingen. De catalogi uit de jaren 1900 - 1930 (vaak uitvoerige
boekwerken van 200 pagina’s of meer) laten zien dat het aanbod enorm was, de keuze aan verschillende modellen schier oneindig
en dat illustreert dat de vraag naar sanitaire producten zeer groot was. De badkamer was  - zeker in Frankrijk - een wezenlijk
onderdeel van het woonhuis geworden.
DE ONTWIKKELING VAN HET TOILET
De ontwikkeling van het toilet vormt een verhaal apart binnen de geschiedenis van het sanitair. Het eerste toilet met doorspoelmogelijkheid werd al in 1596 in Engeland
uitgevonden door Sir John Harrington. Hij publiceerde in 1595 zijn ‘The Metamorphosis of Ajax’ met daarin een prototype van een toilet met een doorspoelmechanisme. Zijn
uitvinding vond echter geen grote navolging in Engeland of de rest van Europa, het was meer een incident. Pas in de achttiende eeuw gingen porseleinfabrieken meer
aandacht besteden aan de porseleinen pot of tinnen nachtspiegel. Deze diende onzichtbaar te zijn en werd om deze reden verstopt in een bijzettafel of in een mooie stoel.
De pot zelf mocht wel een lust voor het oog zijn en werd voorzien van allerlei decoraties. In de loop van de achttiende en negentiende eeuw waren er diverse uitvinders die
hun wc systemen lieten patenteren. Aan het einde van de negentiende eeuw beleefde de wc, het water closet, zijn hoogtijdagen wat vorm en decoratie betreft. De catalogi
van Europese en Amerikaanse sanitair firma’s staan vol met toiletten met welluidende namen zoals ‘Niagara Falls’, ‘Silentium’ of ‘Simplicitas’. Stuk voor stuk rijk gedecoreerd
met bloemmotieven of gegoten in de vorm van een dolfijn of leeuw. Indien bedoeld voor publieke ruimtes waren de toiletten voorzien van een klein vliegje of bijtje,
aangebracht onder het glazuur in de pot en bedoeld voor de heren om op te richten. Het bijtje was eigenlijk een woordgrap. In het Latijn betekent ‘apis’ bij en de gedachte
was dat ‘gestudeerde heren uit de hogere klassen’ die het Latijn machtig waren en gebruik maakten van toiletten en urinoirs zouden glimlachen bij het ‘take a piss’ en hun
dure schoenen niet zouden bespetteren.
ACCESSOIRES
De badkamerinrichting kende decennialang een vast patroon. Ongeacht de mate van luxe was de badkamer standaard voorzien van een aantal essentiële zaken: een bad om
in te baden en te douchen, een bidet en een wastafel met daarboven een planchet en een spiegel. Dit ‘basispakket’ werd al naar gelang de luxe van de badkamer aangevuld
met andere elementen zoals bijvoorbeeld een voetenbad, een heupbad, een aparte douche en een kaptafel. Het leidingwerk in de badkamer was nog niet weggewerkt in de
muur maar liep langs de wanden en dat maakte dat ook het bad meestal langs de wand werd geplaatst. Een losstaand bad kwam nauwelijks voor, ook niet in de meest luxe
uitgevoerde badkamers, simpelweg omdat de installatietechnieken dit (nog) niet toestonden.

Verschillende accessoires maakten van het begin af aan een onlosmakelijk  onderdeel uit van de badkamer. Bij het bad hing meestal een sponsmandje over de rand van het
bad. Boven de wastafel hing een planchet met aan weerszijden daarvan beker- en karafhouders.

De karaf werd gevuld met drinkbaar water omdat het leidingwater niet altijd geschikt was voor consumptie. Daarnaast waren er speciale houders voor de tandenborstel en
bakjes om zeep op te leggen. Gaslampen voorzagen de badkamers van licht en waren in eerste instantie van vernikkeld ijzer. Met gasbranders werden ook zogenaamde
handdoekenwarmers verwarmd. Dit waren kleine kastjes voorzien van een ruimte om handdoeken in te leggen. Deze werden van onderen verwarmd door een kleine vlam. Met
de intrede van elektriciteit in de woningen werden metalen armaturen te gevaarlijk en gaf men de voorkeur aan lichtarmaturen van porselein.

Catalogi laten een enorme diversiteit aan accessoires zien. Aan het begin van de twintigste eeuw zijn deze overwegend vernikkeld, na de Eerste Wereldoorlog wordt het
aanbod van porseleinen accessoires steeds groter. Een zeldzaamheid onder de accessoires wordt gevormd door de toiletrolhouders. Toiletpapier was een uitvinding die aan
het einde van de negentiende eeuw werd gedaan in de VS. Eerst was er sprake van losse stukjes papier die pasten in een gepatenteerde houder, later stapten fabrikanten
over op papierrollen die in wandhouders pasten. In Frankrijk is men bij het systeem van losse papiertjes gebleven en vinden we vooral porseleinen houders voor losse vellen.
Antieke toiletrolhouders voor rollen zijn nu een grote zeldzaamheid. (link lees hier alles over de geschiedenis van de toiletrolhouder).
HET INTERBELLUM
De vormentaal en belijning van het sanitair veranderde na de Eerste Wereldoorlog in hoog tempo. Vormen werden eenvoudiger en strakker en de gietijzeren baden op pootjes maakten
in de loop van de jaren twintig plaats voor de eerste inbouw baden. Tegen het einde van de jaren dertig was de badkamer geëvolueerd van een 'boudoir' en een verlenging van de
slaapkamer naar een zelfstandige ruimte in huis en de inrichting van de badkamer was bereikbaar geworden voor het grote publiek, niet meer alleen bestemd voor de meest
gefortuneerden in de samenleving. In het begin van de twintigste eeuw ontleenden verschillende sanitair firma's er prestige aan elk jaar nieuwe patenten, uitvindingen en vernieuwingen
te presenteren in hun catalogi en daar ook mee te adverteren. De consumenten op hun beurt ontleenden prestige aan het laten plaatsen van de allermodernste badkamers, voorzien
van alle gemakken, in hun nieuw gebouwde huizen. Maar na de Eerste Wereldoorlog had de badkamer een vaste plek in de meeste huizen in Frankrijk en Engeland verworven en de
vraag naar sanitaire voorzieningen was groot. Sanitair werd een massaproduct dat toegankelijk was voor iedereen. De massaproductie van sanitaire artikelen in Europa ging echter ook
gepaard met een verlies aan kwaliteit. Productie moest steeds sneller en efficiënter. De Europese wapenwedloop in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog veroorzaakte een zekere
schaarste aan ruwe materialen en dat had zijn directe weerslag op de kwaliteit. Vooral wat betreft de productie van de metalen onderdelen zoals kranen en accessoires. Kranen uit het
begin van de twintigste eeuw zijn aanmerkelijk zwaarder en beter van kwaliteit dan de kranen die werden vervaardigd in de jaren dertig. De talrijke vormen van het sanitair, de
uitgebreidheid van de collecties en de diversiteit in aanbod lijken aan het einde van de jaren dertig ook in een rustiger vaarwater te komen. Na de Tweede Wereldoorlog zien we een
nog grotere versobering in de meeste collecties, de jaren van de wederopbouw vormen geen hoogtepunt in de sanitair geschiedenis
De kranen die in de eerste badkamers werden geïnstalleerd, waren gemaakt van een koperlegering die werd vernikkeld. Door slijtage van deze laag nikkel lijken oude kranen
die we nu nog kunnen vinden vaak geheel van koper te zijn geweest maar niets is minder waar. Rondom 1900 bieden alle fabrikanten vernikkelde kranen aan en pas in de
loop van de jaren twintig zien we dat een afwerking in chroom in de mode komt waardoor het nikkel uiteindelijk wordt verdrongen. De eerste badkranen waren nog geen
mengkranen, hadden één kraan voor warm en één voor koud water. Met ingewikkelde brugconstructies werden mengkranen gerealiseerd maar dit waren vaak de duurste
opties uit de catalogus en alleen voor de allerrijksten weggelegd.
HET BEGIN VAN DE TWINTIGSTE EEUW
Fabrikanten van keramische waskommen en kannen volgden de technische vooruitgang op de voet en ontwikkelden al snel allerlei ‘meubilair’ voor de natte ruimte in huis. In het begin
waren deze zaken alleen bereikbaar voor de rijken die zich dergelijke luxe konden veroorloven maar als snel kwam er een enorme massaproductie op gang die sanitaire producten ook
bereikbaar maakte voor de groeiende middenklasse.

In het begin van de twintigste eeuw was de badkamer vaak een verlengde van de slaapkamer. In rijkere milieus was de wastobbe een heuse sofa met draperieën van stof, niet in de
laatste plaats uit schaamte voor naaktheid maar vooral ook omdat het zink van dergelijke tobbes vaak nogal ruw en koud aanvoelde. De tobbe werd in de loop van de negentiende
eeuw meer en meer een zelfstandig meubelstuk. Persoonlijke hygiëne en comfort gingen een steeds grotere rol spelen en in het midden van de negentiende eeuw verschijnen er
naast zinken tobbes de eerste vrijstaande baden van koper. Niet voor niets werd door de fabrikanten voor dit materiaal gekozen, koper houdt immers de warmte goed vast. Voor de
warmwatervoorziening werden de koperen en zinken baden gecombineerd met een op hout gestookte ketel. In deze vroege badkuipen vinden we nu nog  steeds het metalen plaatje
waarmee de hoogte werd aangegeven die men diende aan te houden voor het warme water om – eenmaal vermengd met het koude water – de ideale temperatuur te verkrijgen

In Frankrijk, Engeland en de VS werden nieuwe huizen vanaf het begin van de negentiende eeuw voorzien van een aparte wasruimte, al naar gelang de luxe van de woning werd deze
ruimte uitgerust met een wastafel en een toilet, eventueel aangevuld met een badkuip, douche en bidet wanneer het om een echt luxueuze badkamer ging. In Nederland ging deze
ontwikkeling een stuk langzamer.

De badkamer werd zo steeds meer een zelfstandige ruimte, centraal gelegen in het huis met betegelde wanden en vloeren die veel gemakkelijker schoon konden worden gehouden
dan de vaak met stof en behang gedecoreerde boudoirs. De koperen badkuip maakte aan het einde van de negentiende eeuw  plaats voor een geëmailleerd exemplaar dat op
pootjes stond. Ook hier speelde het gemak en de hygiëne een grote rol. Het schoon schrobben van zink en koper was een zware klus en het nieuwe ‘moderne’ emaille was  en veel
eenvoudiger schoon te houden. De eerste badkamers werden simpelweg uitgerust met een bad, een wastafel en een bidet. De rijkere huishoudens combineerden de badmengkraan
met een douche. De duurste badkamers hadden een aparte douche.
Onder druk van deze concurrentie en met behulp van de chemische wetenschap werden echter in de jaren twintig van de vorige eeuw kaarsen van een heel nieuw type
ontwikkeld: de stearine- en de stearine-zure kaars. Kan de eerste gezien worden als het produkt van een ambachtelijke toepassing van nieuw verworven inzichten in de
samenstelling van vetten, de stearine-zure kaars (die overigens ook meestal stearine-kaars werd genoemd) daarentegen moet eerder als een nieuw chemisch-industrieel
produkt gezien worden. Gevolg van deze ontwikkelingen was dat de samenstelling van de kaarsen werd veranderd, waardoor het druipen, walmen en stinken werd
teruggedrongen. Vanaf 1831 verschenen de eerste stearinekaarsen op de markt. Deze kaarsen hoefden niet meer gesnoten te worden, waardoor de lichtkwaliteit constanter
bleef.
Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel III(1993)–H.W. Lintsen
Textiel. Gas, licht en elektriciteit. Bouw
Meer licht op straat
De periode tot ca. 1860 en de rol van de overheid
De opkomst en het succes van het gaslicht in Engeland hadden alles te maken met de opkomst van de industrie aldaar. Schivelbusch concludeert dat het gaslicht als een
industriële kunstlichtbron ontstond.2. In Nederland, waar de opkomst van het fabriekswezen zich pas veel later voltrok, vond het gaslicht dan ook - evenals in Duitsland en
Frankrijk - later ingang. De eerste gasverbruikers in ons land waren fabrieken, schouwburgen, hotels en café's. Als woonhuisverlichting heeft het gaslicht tot de jaren veertig
van de vorige eeuw nauwelijks dienst gedaan.

Zoals in het hoofdstuk over de gasverlichting al is duidelijk gemaakt, vervulde de straatverlichting een sleutelrol in de ontwikkeling van de Nederlandse gasindustrie. Het besluit
van gemeenten om de straatverlichting met olie te gaan vervangen door gas, opende de weg voor deze lichtbron naar de particulieren. Ook werd duidelijk dat het initiatief om
het gaslicht in te voeren in Nederland aanvankelijk bij particuliere - vaak buitenlandse - ondernemers lag, en zelden bij de overheid. Vanaf 1840 kreeg het gaslicht een breder
toepassingsgebied.
Om zoveel mogelijk de sfeer van rond 1900 te behouden, is in Huis Van Gijn gekozen voor een historisch lichtbeeld. Hiermee wordt bedoeld dat we zo dicht mogelijk bij
de oorspronkelijke manier van verlichten blijven. Toen het echtpaar Van Gijn het huis aan de Nieuwe Haven kocht, werd het bestaande gasnetwerk in huis uitgebreid. De
meeste kamers kregen een gasaansluiting. Behalve de eetkamer, want dineren doe je bij kaarslicht of eventueel bij het licht van olielampen. Kaarslicht weerschijnt mooi
in gladde en heldere oppervlakken. Bovendien komen juwelen mooier uit. Pas na het overlijden van Simon van Gijn in 1922 werd  het huis aangesloten op het
elektriciteitsnetwerk.

Tegenwoordig vormt de serre meestal één geheel met het huis, veelal bij
de woonkamer. Vroeger was de serre een aparte tuinkamer, vaak
afgescheiden van de rest van het huis en daarmee een aanbouw in
plaats van een uitbouw: de bestaande gevel werd niet weggebroken
maar de serre was een extra kamer. Serres komen vooral vanaf de 19e
eeuw voor; in de beginperiode waren serres vooral voor de planten
bestemd: de niet-winterharde planten konden hier overwinteren, zoals bij
een oranjerie. Belangrijkste kenmerk van de tuinkamer was dat er veel
vensters waren met zicht op de tuin; dat werd soms gerealiseerd door
een veelhoekige kamer.
Joost de Vree
Bouwwijze

Serres en veranda’s zijn meestal aangebouwd aan de zonnige (zuid)kant
van een pand, waardoor de warmte van het zonlicht het best benut kan
worden. Aan de oost- en westkant profiteert de eigenaar sterker van de
ochtend-, respectievelijk de avondzon. Er komen echter ook serres en
veranda’s aan de koele schaduwrijke zijde voor, veelal om het contact met
de straat te verhogen.

Serres en veranda’s zijn aanbouwen, en geen uitbouwen. Een aanbouw is
tegen een groter bouwlichaam geplaatst. Een uitbouw is een vergroting
van een ruimte, waarvoor vaak meer constructieve voorzieningen moeten
worden getroffen dan bij aanbouwen. Serres komen alleen voor op de
begane grond, soms met het sobere uiterlijk van een kas, maar vaak ook
fraai afgewerkt, bijvoorbeeld met geprofileerde dakranden en gekleurd
glas. De plattegrond is meestal rechthoekig. Ook veranda’s liggen op de
begane grond. Ze bestaan uit staanders of kolommen die een dak
ondersteunen, met tussen de kolommen lage hekwerken. De voorgevel is
open; de zijgevels kunnen open of dicht zijn.
De gevels van de oudste serres zijn – net als oudere veranda’s – zowel in
horizontale als verticale richting verdeeld in traveeën. Van onder naar
boven geldt vaak een indeling van borstweringen, grote ramen en
daarboven kleine ramen. Gebruik van staal en de komst van grotere ruiten
zorgden ervoor dat de gevels in nieuwere serres vrijer ingedeeld konden
worden. De toegang van een serre gaat zowel vanuit het huis of het pand
als vanuit de tuin via dubbele deuren. Ook een veranda bereikt met vanuit
het huis via een enkele of dubbele deur, waarbij het niveauverschil tussen
beide ruimtes vrijwel altijd gering is.

Combinaties

Serres en veranda’s komen in verschillende combinaties voor, met
balkons, erkers, galerijen en hier en daar met souterrains, portieken en
zelfs uitkijktorentjes. Veel voorkomend zijn serres of veranda’s met een
balkon op de eerste verdieping. Soms zijn daarbij meerdere balkons
boven elkaar gebouwd. Deze balkons zijn gebouwd in hout, steen of staal,
en kunnen de verschijning hebben van een veranda, vooral bij gebouwen
uit de late negentiende eeuw. Deze ruimtes kunnen echter het beste
worden aangeduid als overdekte balkons.

In plaats van een balkon kan ook een erker boven een serre of veranda
zijn gebouwd. Een (grote) erker lijkt op een serre, maar heeft geen
buitendeur. In het interbellum kregen woonkamers op de begane grond
vaak een erker, zowel als uitbouw, maar ook als aanbouw.

Traditioneel in hout

De eerste serres en veranda’s zijn grotendeels in hout gebouwd. Tegen
het einde van de negentiende eeuw wordt er steeds meer staal toegepast
en soms gietijzer voor de constructie. Serres van woningen hebben
traditioneel een bakstenen fundering en soms ook borstwering. Na 1900
wordt er ook beton toegepast, dat echter meestal niet in het zicht blijft.
Natuursteen voor de afwerking wordt – vanwege de hoge kosten – niet
vaak toegepast.
Bij serres en veranda’s kunnen verschillende bouwdelen op een andere
wijze zijn toegepast dan voor de rest van een woning of gebouw. Daarbij
gaat het dan om het dak, het houtwerk, glaswerk, de ventilatie en
zonwering, de achterwand, de vloer- en plafond(afwerking). Bij herstel
en/of restauratie verdienen vooral deze bouwdelen veel aandacht. In een
volgend nummer van RenovatieTotaal wordt ingegaan op een zorgvuldige
aanpak.


BouwTotaal
De meeste villa’s aan oude lanen kregen eind 19e eeuw een serre. Het beschikbaar komen
van
groot vensterglas gaf daartoe de mogelijkheid, al was het eerst nog echt kostbaar. De eerste
Baarnse villabewoners waren zo enthousiast over de toepassing van het beschikbaar komen
van glas dat ze veranda’s (‘warandes’) en muren aan de tuinzijde lieten wegbreken om er een
modieuze serre aan te bouwen.
Historische Kring Baerne
Tuinarchitectuur
Aanvankelijk waren de tuinen deels functioneel ingericht. Direct achter het huis lag een terras, daarna kwam de siertuin en daarachter lag
vaak een groenten- of kruidenperk of een bleekveld. Later kreeg de siertuin de overhand. Tot het eind van de achttiende eeuw had zo'n
tuin een formele aanleg met geometrische indeling. Ze waren symmetrisch in de lengteas, op de zichtlijn vanuit het midden van het huis.
Er waren perken met beplanting in sierlijke patronen, de zogenoemde 'broderieparterres' of 'parterres', die werden omsloten door lage
buxushagen. Er waren wat sierplanten, zoals tulpen, en kunstig geknipte (buxus)boompjes. Beelden, vazen of fonteinen stonden op
kruisingen van paden. Gekleurde steentjes of schelpen in de perken gaven kleur aan de tuin.
Landschapstuin
In de negentiende eeuw raakte in Amsterdam de landschapstuin in zwang. De tuin met formele aanleg maakte plaats voor de meer
speelse tuin. Een wandeling door zo'n tuin voerde over slingerende paden langs gazons, organisch gevormde bloemperken, bloeiende
struiken en groepen bomen. De tuin was als een klein landschap in de stad.
amsterdam nl kunst en cultuur
De eerste brandstof via pijpleidingen
Vanaf 1805 was gasverlichting in principe klaar voor commercieel gebruik. Het gas zou daarbij vanuit een speciale gasfabriek verspreid worden via pijpleidingen. Dat was nog nooit
eerder vertoond en een ware revolutie in de geschiedenis van brandstofgebruik. Wie een gasaansluiting had, hoefde niet meer rond te zeulen met afgepaste hoeveelheden brandstof,
maar alleen nog de lamp aan te doen.

Gemakkelijk was het aanleggen van een gasnet echter niet. Een gemeente moest namelijk wel bereid en in staat zijn om daadwerkelijk een leidingnet met bijbehorende fabriek aan te
leggen. Dat kon natuurlijk niet van de ene op de andere dag overal worden geregeld.

Vandaar dat gaslicht zich in een zeer gestaag tempo van stad tot stad zou verspreiden. De primeur ging daarbij naar Londen, waar in 1805 de eerste gasleidingen werden neergelegd.
Het stadje Freiburg in Saksen was in 1811 de eerste plaats die de straatverlichting op het leidingnet aansloot. Londen volgde daarmee in 1812. Steeds meer steden zouden hierna
volgen en later ook middelgrote gemeenten.

Het platteland zou echter nooit kennismaken met gaslicht. Tegen de tijd dat men daar aan een leidingnet toekwam, was elektriciteit al de betere optie.

Verspreiding gasverlichting
Tot halverwege de negentiende eeuw werd gaslicht toch vooral buiten gebruikt als straatverlichting, voor de verlichting van fabrieken of openbare gebouwen en in huizen van de
allerrijksten. Voor woonhuizen was het maar matig geschikt om de volgende redenen:
Het was erg duur.
Het gaf teveel hitte af, wat een benauwde atmosfeer veroorzaakte.
Het gaf zwavel en stikstof af, wat slecht was voor de gezondheid, maar ook het meubilair aantastte.

Later werden deze problemen in toenemende mate verholpen, zodat het gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer in huizen te vinden was. Rond 1880 was in
Nederland ongeveer 1 op de 5 huishoudens aangesloten op een gasleiding.

Toch bleef het lange tijd een vrij dure aangelegenheid die niet op kon tegen petroleum. Een aansluiting hebben op de gasleiding wilde dan ook niet zeggen dat deze werd gebruikt.
Waarschijnlijk hebben tal van huishoudens hun aansluiting nooit gebruikt of alleen in beperkte mate. In de tweede helft van de 19de eeuw was de petroleumlamp populairder.

Pas na het beschikbaar komen van het gloeikousje in 1892 kwam er een periode dat gas het qua kosten en gebruiksgemak kon opnemen tegen petroleum en veel mensen de
overschakeling toch nog hebben gemaakt.

Gasverlichting in Nederland
Ondanks het werk van Minckelers kwamen in Nederland de zaken traag op gang. Pas in 1816 was er in Amsterdam een eerste publieke demonstratie van gaslicht. Dat was ter
gelegenheid van het huwelijk van Willem III met grootvorstin Anna Paulowna. Willem stak het licht zelf aan, waarna alle aanwezigen diep onder de indruk raakten van het nieuwe wonder.

Door toedoen van Bernardus Koning, een andere Nederlandse gaspionier, kreeg het Binnenhof in Den Haag als eerste buitenverlichting op basis van gas. Deze heeft van 1820 tot 1844
gebrand. Vanaf 1824 kwamen er meer openbare gebouwen met gaslicht zoals de Hoogduitse Schouwburg in Amsterdam (1824) en de Dom van Utrecht (1826).

De eerste pijpleidingen werden aangelegd in Amsterdam in 1826. Niet eerder dan 1847 werden de straatlantaarns er op aangesloten. Andere Nederlandse steden hadden ook geen
haast. In Den Haag bijvoorbeeld werden de eerste concessies voor het leggen van pijpen en doorgeven van gas pas in 1844 afgegeven. Daar werd de aansluiting van het openbare
licht wel meteen mee geregeld.

Aanvankelijk wilden gemeenten de gasvoorziening absoluut niet zelf regelen en werden alle concessie uitbesteed aan particuliere gasmaatschappijen. Daar kwam halverwege de 19de
eeuw voorzichtig verandering in. Sommige gemeenten kozen voor een eigen leidingnet. In 1848 opende de eerste gemeentelijke gasfabriek haar deuren in Leiden, in 1854 volgde er
een tweede in Groningen.

Gebruik binnenshuis
Al vanaf het prilste begin van gasverlichting is het binnen gebruikt, zij het vooral in openbare gebouwen en woningen van zeer rijke stedelingen. Daardoor bevonden zich onder de
eerste generatie gaslampen echter juist fraaie lampen zoals kroonluchters, meestal gasluchters genoemd.

Door de jaren heen is er veel moeite gedaan om goede gaslampen te produceren. Dat draaide vooral om het zoeken naar zo goed mogelijk branders. Het was namelijk via de brander
dat men de problemen die gas vooral binnenshuis veroorzaakte, kon oplossen. Uiteindelijk zijn er heel wat verschillende branders geweest. Dat kwam ook omdat ze steeds weer
aangepast moesten worden op nieuwe ontwikkelingen. Zo wilde men na de uitvinding van de gloeilamp ook gaslampen die naar beneden konden schijnen in plaats van alleen naar
boven. Niet zoveel later moesten alle branders weer worden aangepast op het gloeikousje.

In het dagelijks gebruik was de gaslamp uiteindelijk niet zo handig als de gloeilamp. Na enige tijd gebrand te hebben ging hij toch roken en moest hij worden bijgesteld. Dat was weliswaar
een stuk minder na de invoering van het gloeikousje, maar helemaal ideaal zou het nooit worden.

Uitvinding van het gloeikousje
In de jaren '80 van de 19de eeuw leek het bestaan van gasverlichting op een vroeg einde af te stevenen. Het was een tamelijk dure vorm van verlichting gebleven en had weinig
voordelen te bieden ten opzichte van een nieuwe concurrent. De uitvinding van de gloeilamp had namelijk in 1879 plaatsgevonden.






bron https://kunst-en-cultuur.infonu.nl/geschiedenis/53826-een-eeuw-gaslicht.html
NvdD 23 06 1885
1853 eerste Nederlandse
waterleiding. Jacob van Lennep /
Amsterdamse Duinwater
Maatschappij. Loden leidingen
voor huisinstallaties vanaf 1882.
Eerste groepswaterleiding voor
gemeenten 1911
images/Ontwikkelingen_in_de_Haarlemse_straatinrichting_Februari_2019_Isanne_Damen_Team_Erfgoed.jpg