Bewoners en bedrijven voor zover bekend. index

Elise Gerth is een onderwerp op zichzelf, en eigenlijk een tragisch. Ze is uit mijn kinder- en
jeugdjaren de meest levende, want ze ging met ons over naar Den Haag en verliet ons
daar eerst in of bij het vertrek uit de Nassau-Zuilensteinstraat.
Dat haar moeder in Medemblik werd verpleegd wist ik niet. Wel herinner ik me dat ze een
enkele maal naar het gesticht aldaar heenreisde, maar zover het me bijstaat betrof het
haar ‘broertje’, wat dan wel de door jou genoemde Jan Gerth moest zijn. Ze had iets Frans'
over zich, ook in haar uitdrukkingen, een zekere beschaving ook wel. Stellig behoorde ze
tot de Waalse gemeente, en ik herinner me namen van predikanten als Daubanton en
Valeton. Ze was voor Jo en mij op een wat bruuske manier toch wel aardig, vooral in
Amsterdam waar ze Jo in de kinderwagen reed en ik zanikte om meegereden te mogen
worden, hetgeen ze opvoedkundig meestal weigerde. Ze had iets geëxalteerds en de naam
Douairière Smissaert, geboren Blanken - die weduwe was van een onbeduidende minister -
heeft haar verblind. Ook andere namen uit die kring komen bij mij naar boven: Gey van
Pittius en de door je
[p. 54]
genoemde Van der Lecq de Clercq (deftigheidshalve spel je het zo - ik geloof ook juist);
kennissen van Mevrouw Smissaert. Bepaald niet Lekkerkerker, want dat zou niets zijn
geweest voor Mevrouw Smissaert of haar trawanten. Dat Elise nog verre familie van je was
is een van de verrassingen die deze briefwisseling oplevert.
Van Elise Gerth weet je nog veel te vertellen. Ik vul dat voor zoveel nodig nog even aan. Ze was al bij ons
in huis Singel 198 in de hoofdstad, een trouwe huishoudelijke hulp, die daarnaast zo'n beetje
kinderjuffrouw was voor Jo en mij, Jo in de kinderwagen reed en mij er naast liet lopen, maar me soms na
veel gezanik van mijn kant ook als vracht opnam. Ze ging met ons over naar Den Haag, Van
Swietenstraat 88, Van Swietenstraat 159, en Nassau-Zuilensteinstraat 8. Daar werd ze bevangen door de
voornaamheid van Douairière Smissaert-Blanken, die bij ons woonde, en begon zich ten koste van haar
plicht tegenover ons tezeer te wijden aan die dame. Toen die dame vertrok ging Elise dan ook mee. Ze
was haar meesteres dermate trouw dat ze de hele nalatenschap erfde, maar klaar bleek het weinig. Ze
kwam ook later nog wel eens bij ons. Ten slotte is ze aan kanker overleden in het vreselijke - althans
uiterlijk - ziekenhuisje Slijkeinde, voorheen krankzinnigengesticht. Han, die het trouwst van ons allemaal
oude relaties aanhield, heeft haar daar nog een paar maal bezocht. Hij had biezonder aardige trekken,
die ik pas op later leeftijd ben gaan waarderen. Elise had eigenlijk een tragisch leven. Er zat Frans of
Waals bloed in haar, en ik geloof dat ze tot de Waalse gemeente behoorde. Ze had als kind weelde
gekend, haar vader, een makelaar die in de Anna Vondelstraat te Amsterdam woonde, had een eigen
rijtuig gehad, maar was door spekulaties geruïneerd. Zoiets kwam in mijn Amsterdamse jaren heel vaak
voor: ik heb mijn eerste kindertijd als 't ware te midden van krachs doorgebracht, want mijn vader
temidden van de financiële wereld, kwam telkens weer aan met berichten van dat soort. Hij vertelde ons
ook vaak van de katastrofe van Baring Brothers in Londen, - die ten slotte toch hun verplichtingen
schijnen te hebben kunnen nakomen. En, gelukkig buiten de krachs, werden grote namen als Hope & Co,
Van Loon & Co, Wertheim & Gomperts, Lippmann & Rosenthal telkens bij ons thuis genoteerd.
Nu, beste Bets, dit is weer eens een schotel met hors-d'oeuvre van oude, heel oude herinneringen. Moge
hij je enigszins smaken.
De parelduiker jaargang 10
[p. 32]
Rody Chamuleau
Ik volg je brief maar op de voet
F. Bordewijk en Betsy Bertram-Haus
Woord vooraf
Op 6 maart 1968 overleed mevrouw E.C. (Betsy) Bertram-Haus, vijfentachtig jaar oud. Sinds
ongeveer 1954 was ze in pension geweest bij mevrouw A.M. Schuddeboom-Rijnen aan de Van
der Leelaan 19 te Doorn.
Als kind was Betsy Haus op de Nederlands-Duitse school geweest in Amsterdam, waar ook
Ferdinand Bordewijk, die twee jaar jonger was, zijn eerste lessen volgde. In die tijd was ze
bevriend met Ferdinands oudere broer Huug.
Toen Betsy in 1961 Bordewijks roman Tijding van ver las, besloot ze hem te schrijven. Dat
mondde uit in een interessante briefwisseling, waarin ze beiden jeugdherinneringen ophaalden
aan Amsterdam en Den Haag.